ECLI:NL:RBDHA:2023:8967
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken van gronden bij verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bij besluit van 27 januari 2022 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Vervolgens heeft verzoeker een verzoek ingediend bij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen tegen dit besluit.
De voorzieningenrechter heeft het verzoekschrift beoordeeld en vastgesteld dat daarin geen gronden zijn vermeld ter onderbouwing van het verzoek. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het verplicht om de gronden van het verzoek te vermelden. Verzoeker is hierop bij aangetekende brief gewezen en kreeg twee weken de tijd om het verzuim te herstellen.
Verzoeker heeft binnen deze termijn geen gronden ingediend, en er is geen reden om aan te nemen dat dit niet aan hem is toe te rekenen. Daarom voldoet het verzoek niet aan de eisen van de Awb en wordt het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter E.F. Bethlehem en griffier S.C. Spruijt en is zonder zitting genomen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het verzoekschrift.