Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:8878

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juni 2023
Publicatiedatum
20 juni 2023
Zaaknummer
NL23.15386
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel van vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 19 mei 2023 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser, met als grond dat er zicht zou zijn op uitzetting naar Suriname. Eiser betwistte dit en voerde aan dat hij de Franse nationaliteit bezit en dat eerdere pogingen tot uitzetting naar Suriname en Frans Guyana niet slaagden vanwege het ontbreken van bevestiging van zijn nationaliteit. De rechtbank behandelde het beroep op 6 juni 2023 en heropende het onderzoek om nadere informatie te verkrijgen over een lopend onderzoek bij de AVIM, dat mogelijk zicht op uitzetting zou kunnen bieden. Verweerder verstrekte deze informatie niet binnen de gestelde termijn, waarna het onderzoek werd gesloten.

De rechtbank overwoog dat de bewijslast voor de rechtmatigheid van de bewaring bij verweerder ligt en dat deze onvoldoende heeft onderbouwd dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser verbleef reeds zeven maanden in vreemdelingenbewaring zonder dat uitzetting mogelijk bleek. Gezien het ontbreken van relevante informatie over het AVIM-onderzoek en het feit dat eiser ontkent Surinaamse nationaliteit te hebben, concludeerde de rechtbank dat het zicht op uitzetting ontbreekt.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 juni 2023 en kende eiser een schadevergoeding toe van €2.600 voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van €1.674 aan verweerder opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn, met toekenning van €2.600 schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15386

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.G. Wattilete),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 6 juni 2023 het onderzoek heropend en verweerder om nadere informatie verzocht. Verweerder heeft die informatie niet binnen de daartoe gestelde termijn verstrekt. De rechtbank heeft het onderzoek op 12 juni 2023 gesloten.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Zicht op uitzetting
2. Eiser heeft aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat, omdat de staatssecretaris tevergeefs probeert eiser uit te zetten naar Suriname, terwijl eiser de Franse nationaliteit heeft. Eiser is bovendien al eerder in het kader van een laissez-passer aanvraag gepresenteerd op de Surinaamse ambassade. De Surinaamse ambassade heeft de nationaliteit van eiser toen niet bevestigd en er is geen laissez-passer verstrekt. Eiser heeft in 2021 ongeveer 7 maanden in bewaring verbleven. In die periode is hij ook gepresenteerd bij de autoriteiten van Frans Guyana. Ook de autoriteiten van Frans Guyana hebben zijn nationaliteit niet kunnen bevestigen. Eiser ziet niet in waarom dat nu anders zou zijn en er wel een laissez-passer afgegeven zal worden voor hem.
2.1.
De staatssecretaris heeft op de zitting aangevoerd dat er bij de huidige stand van zaken inderdaad onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het indienen een nieuw laissez-passer verzoek bij de Surinaamse ambassade, maar stelt zich op het standpunt dat er desondanks zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat naar Suriname. Verweerder is namelijk een onderzoek gestart bij de AVIM [1] . Dit is een onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiser waaruit aanknopingspunten zouden kunnen ontstaan om een nieuwe aanvraag voor een laissez-passer in te dienen. Daarom kan volgens verweerder niet worden geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daarbij stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Indien een vreemdeling niet (voldoende) meewerkt aan zijn vertrek, is volgens vaste jurisprudentie in beginsel zicht op uitzetting gegeven en is er geen sprake van een ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
2.2.
Eiser heeft aangevoerd dat het dossier geen informatie over het onderzoek bij de AVIM bevat en de informatie daarom niet kan worden beoordeeld in dit beroep. De staatssecretaris heeft op de zitting medegedeeld dat desgevraagd stukken kunnen worden verstrekt van het onderzoek bij de AVIM.
2.3.
Om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen deze stukken te verstrekken is het onderzoek in deze zaak heropend en is verweerder een termijn gegeven om de stukken te verstrekken. Verweerder heeft de stukken echter niet binnen de daartoe gestelde termijn verstrekt. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek op 12 juni 2023 weer gesloten.
2.4.
De rechtbank zal bevelen om de maatregel van bewaring op te heffen en overweegt daartoe als volgt.
2.5.
De rechtbank overweegt allereerst dat de maatregel van bewaring een belastend besluit is en de bewijslast dat de oplegging en voortduring van de maatregel rechtmatig zijn dus op verweerder rust. Verweerder moet zich daarom ook uit eigen beweging bij de oplegging en bij de voortduring van de maatregel voortdurend vergewissen of zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. De maatregel wordt immers opgelegd om uitzetting te bewerkstelligen en als zicht op (gedwongen) uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt is de detentie reeds hierdoor onrechtmatig.
2.6.
Zoals de staatssecretaris zelf op de zitting al heeft toegegeven, zijn er bij de huidige stand van zaken onvoldoende aanknopingspunten voor het indienen een nieuw laissez-passer verzoek bij de Surinaamse ambassade. Desalniettemin heeft verweerder eiser, aansluitend op een strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld. Nog daargelaten dat verweerder op de zitting ook erkent dat hij tijdens de strafrechtelijke detentie de inspanningsverplichting heeft geschonden, blijft volstrekt onduidelijk op welke gronden de rechtbank zou moeten oordelen dat zicht op uitzetting naar Suriname binnen een redelijke termijn niet volledig ontbreekt. Weliswaar voert verweerder aan dat hij enkele dagen na de inbewaringstelling een onderzoek is gestart waaruit mogelijk aanknopingspunten zouden kunnen voortkomen om de Surinaamse nationaliteit en identiteit van eiser te bevestigen, maar eiser heeft dit op de zitting nadrukkelijk betwist en aangevoerd dat elke informatie over het onderzoek ontbreekt. Verweerder kon op de zitting geen informatie over het onderzoek prijsgeven, maar meldde dat hij de rechtbank hierover wel na de zitting kon informeren. De rechtbank is van oordeel dat onderbouwing van het standpunt verweerder wel nodig is, gezien de eerdere lange periode in vreemdelingenbewaring, die uiteindelijk is beëindigd omdat het niet mogelijk bleek eiser uit te zetten naar Suriname. Gelet op de weigering van de staatssecretaris om het onderzoek dat is gestart bij de AVIM te onderbouwen, is de rechtbank er niet van overtuigd dat de situatie nu anders zou zijn dan de situatie in 2021. Eiser heeft in 2021 zeven maanden in vreemdelingenbewaring verbleven. Er is toen een lp-aanvraag ingediend bij de Surinaamse autoriteiten als ook bij de autoriteiten van Frans Guyana. Beide autoriteiten hebben te kennen gegeven dat zij de nationaliteit van eiser niet kunnen bevestigen. Daarbij blijft eiser ontkennen dat hij de Surinaamse nationaliteit heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij deze stand van zaken zicht op (gedwongen) uitzetting binnen een redelijke termijn naar Suriname ontbreekt.
2.7.
Verweerder heeft gelet op het bovenstaande niet genoegzaam onderbouwd dat zicht op gedwongen terugkeer van eiser naar Suriname binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Dit betekent dat de bewaring niet rechtmatig is. De rechtbank toetst in deze procedure de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel vanaf 19 mei 2023. Gelet op de bewijslast die op verweerder rust en gelet op dat wat eiser vanaf het begin af aan heeft gesteld, wat door verweerder dus niet genoegzaam is weerlegd, stelt de rechtbank vast dat gedurende de gehele te toetsen periode zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn heeft ontbroken. De rechtbank zal het beroep dus gegrond verklaren en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser bevelen.
Overige gronden
3. Gelet op het voorgaande behoeven de andere beroepsgronden, zoals ten aanzien van de voortvarendheid en de inspanningsverplichting van verweerder geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 juni 2023.
4.1.
Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 26 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 26 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.600.
4.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 juni 2023;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.600 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Vruwink-Eertink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.