ECLI:NL:RBDHA:2023:8597

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2023
Publicatiedatum
14 juni 2023
Zaaknummer
NL23.15447
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Guyaanse vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op zowel zware als lichte gronden die het risico op onttrekking aan toezicht rechtvaardigen.

Eiser voerde aan dat de zware gronden ten onrechte waren toegepast en dat hij mogelijk rechtmatig verblijf kon verkrijgen, maar de rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd. Ook het betoog dat een lichter middel had moeten worden toegepast werd verworpen, mede omdat eiser na oplegging van een meldplicht met onbekende bestemming vertrok.

Verder stelde eiser dat het zicht op uitzetting ontbrak vanwege het ontbreken van documenten en vertegenwoordiging van Guyana in Nederland, maar de rechtbank vond dat de staatssecretaris dit voldoende had gemotiveerd. Ambtshalve bleek de maatregel niet onrechtmatig, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.15447
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 mei 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser en de tolk, I.D.O. Onwuegbuchu, zijn met behulp van een beeldverbinding verschenen. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. Allereerst voert eiser aan dat de zware gronden 3a, 3b en 3c ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, omdat deze niet het risico met zich brengen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat deze zware gronden feitelijk juist zijn, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Hoewel deze gronden de maatregel van bewaring al kunnen dragen, overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een vriendin heeft in Nederland, zodat ook de lichte gronden 4c en 4d terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
2. Verder stelt eiser dat hij mogelijk op andere gronden rechtmatig verblijf in Nederland heeft dan wel kan verkrijgen, waardoor de maatregel van bewaring achterwege had moeten blijven. De rechtbank is van oordeel dat eiser deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd en gaat daar daarom aan voorbij.
3. Eiser voert verder aan dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op 14 februari 2023 is aan eiser een meldplicht opgelegd, waarna hij met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft dan ook voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast om het risico op onttrekking van het toezicht te ondervangen.
4. Tot slot voert eiser aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt vanwege het ontbreken van documenten en er geen vertegenwoordiging van Guyana in Nederland is die vervangende documenten aan eiser kan verstrekken. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring voldoende heeft gemotiveerd dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. Ook als moet worden aangenomen dat het verkrijgen van vervangende (reis)documenten in verband met de door eiser genoemde omstandigheden niet eenvoudig zal zijn, leidt dat niet in dit stadium nog niet tot het oordeel dat eiser niet zal kunnen worden uitgezet.
5. Nu ook ambtshalve niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, is het beroep daartegen ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2023 door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en het proces-verbaal ervan is openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.