ECLI:NL:RBDHA:2023:8571
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening verblijfsvergunning wegens ontbreken gronden
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 13 juni 2022. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar en verzocht tevens om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoekschrift en constateerde dat verzoeker geen gronden van het verzoek had vermeld, zoals vereist op grond van artikel 6:5 Awb Pro in samenhang met artikel 8:81 Awb Pro. Verzoeker werd bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld dit te herstellen binnen twee weken, met de waarschuwing dat bij uitblijven van herstel het verzoek niet-ontvankelijk zou worden verklaard.
Verzoeker heeft geen gronden ingediend binnen de gestelde termijn, waardoor niet is voldaan aan de wettelijke eisen. De voorzieningenrechter verklaarde het verzoek dan ook niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van vermelde gronden in het verzoekschrift.