ECLI:NL:RBDHA:2023:8570
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken gronden in bestuursrechtelijke zaak verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 30 mei 2022. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar en verzocht tevens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoekschrift beoordeeld en vastgesteld dat daarin geen gronden van het verzoek zijn vermeld, hetgeen een vereiste is op grond van artikel 6:5 Awb Pro in samenhang met artikel 8:81 Awb Pro. Verzoeker is bij aangetekende brief gewezen op dit verzuim en in de gelegenheid gesteld dit binnen twee weken te herstellen.
Verzoeker heeft echter geen gronden ingediend binnen de gestelde termijn. Gezien het ontbreken van de noodzakelijke gronden en het niet voldoen aan de wettelijke eisen, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het verzoekschrift.