ECLI:NL:RBDHA:2023:8304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2023
Publicatiedatum
8 juni 2023
Zaaknummer
23_1643
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit

Verzoekster diende bezwaar in tegen de hoogte van een aanvullende schadevergoeding toegekend door de Belastingdienst/Toeslagen. Na eerdere afwijzing van een voorlopige voorziening wegens gebrek aan spoedeisend belang, werd een nieuw verzoek ingediend dat eveneens werd afgewezen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat onvoldoende sprake was van een spoedeisend belang, ondanks de door verzoekster gestelde financiële nood en verslechterde gezondheid van een familielid. Deze stellingen werden niet voldoende onderbouwd met concrete financiële stukken of een concreet verband met het gevraagde oordeel.

Daarnaast werd overwogen dat het bestuursbesluit niet evident onrechtmatig is; er is geen ernstige twijfel of het besluit in een bodemprocedure stand zal houden. De rechtbank concludeerde daarom dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1643

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2023 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. S.V. Hendriksen),
en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

Procesverloop

Verzoekster heeft op 7 april 2022 bezwaar ingediend bij verweerder tegen de hoogte van de aan haar toegekende aanvullende schadevergoeding.
Op 11 oktober 2022 heeft verzoekster een eerste verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Het verzoek is op 17 november 2022 ter zitting behandeld. Op 25 november 2022 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen vanwege het ontbreken aan een voldoende spoedeisend belang.
Op 28 februari 2023 heeft verzoeker een brief naar de rechtbank gestuurd inzake een beroep niet tijdig beslissen (SGR 23/1132). Deze brief is per abuis ook aangemerkt als een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft bij brief van 30 maart 2023 laten weten het verzoek om een voorlopige voorziening te willen handhaven.
De voorzieningenrechter heeft een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. [1]

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. [2]
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan onvoldoende sprake is. Dat verweerder het belang van snelheid in de procedure erkent, betekent nog niet dat er sprake is van een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft te kennen gegeven dat zij met armoede wordt geconfronteerd. Deze stelling is echter niet met (financiële) stukken onderbouwd. Ten opzichte van de op 25 november 2022 afgewezen voorziening, is er geen nieuwe informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat verzoekster zich momenteel in een acute financiële noodsituatie begeeft. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat er een onvoldoende concreet verband bestaat tussen de verslechterde gezondheid van de heer [naam] en de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter snapt dat de duur van de herstelregeling zwaar kan drukken op de gezondheid, maar dat de hier gekozen procedure niet kan worden ingezet om de behandeling van het bezwaar te bespoedigen.
3. Als er geen sprake is van een spoedeisend belang, kan de door verzoekster gevraagde voorziening toch worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in een bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is, anders dan verzoekster, van oordeel dat daar geen sprake van is.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.