ECLI:NL:RBDHA:2023:8210

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2023
Publicatiedatum
8 juni 2023
Zaaknummer
NL23.12033
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) Nr. 604/2013
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Bulgarije op grond van Dublinverordening

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om overdracht aan Bulgarije te voorkomen totdat op het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelt dat onverwijlde spoed vereist is omdat het beroep niet binnen de overdrachtstermijn van 9 juni 2023 kan worden afgehandeld. Het belang van verzoekster om in Nederland op het beroep te wachten weegt zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om haar eerder over te dragen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster niet mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Bulgarije wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12033

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], verzoekster

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. De asielaanvraag van verzoekster is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening). Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoekster dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoekster niet kan worden afgehandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn. De uiterste overdrachtsdatum is namelijk 9 juni 2023. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekster om de uitspraak op het beroep in Nederland af te mogen wachten zwaarder dan het belang van verweerder om verzoekster daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat de rechtbank in het met deze zaak samenhangende beroep heeft besloten om de behandeling daarvan aan te houden in afwachting van een uitspraak van de Afdeling [1] over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije in enkele zaken die op dit moment bij de Afdeling in behandeling zijn. [2]
4. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster er belang bij heeft om de uitkomst van het beroep in Nederland te kunnen afwachten. Niet op voorhand valt uit te sluiten dat dit beroep een redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Bulgarije totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
5. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 837, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster de behandeling van zijn beroep (zaak met nummer NL23.12032) in Nederland mag afwachten;
- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ter hoogte van € 837 (achthonderdzevenendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Zaaknummers 202204655/1/V3, 202205945/1/V3, 202206794/1/V3 en 202206798/1/V3.