ECLI:NL:RBDHA:2023:7959
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser, een jongvolwassene met de Surinaamse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland om bij zijn moeder (referente) te wonen. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste en de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank overwoog dat het hier ging om een eerste toelating waarbij geen recht op vrije domiciliekeuze bestaat. Hoewel eiser en zijn moeder hechte banden hebben, woonden zij al geruime tijd gescheiden doordat eiser bij zijn grootouders in Suriname verbleef. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij nog afhankelijk is van zorg die zijn grootouders niet kunnen bieden, ondanks hun medische klachten.
Daarnaast mocht het economische belang van Nederland meewegen, aangezien referente onvoldoende duurzame middelen van bestaan heeft en het onzeker is of zij in de toekomst volledig zelfstandig zal zijn. Subjectieve belemmeringen om het gezinsleven in Suriname voort te zetten, werden niet doorslaggevend geacht. De rechtbank concludeerde dat de weigering van de machtiging niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.