ECLI:NL:RBDHA:2023:795
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek naturalisatie wegens onvoldoende hoofdverblijf in Nederland
Eiser heeft op 18 januari 2021 een verzoek om naturalisatie ingediend. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, zoals vereist in artikel 8 van Pro de Rijkswet Nederlanderschap.
Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat eiser tussen 3 mei 2016 en 19 november 2019 in Nederland stond ingeschreven, maar daarna niet meer, en dat de periode van 5 maart 2020 tot 9 september 2021 een postadres betrof. Eiser kon niet aantonen dat hij in die periode daadwerkelijk in Nederland verbleef. Hij voerde aan dat hij vanwege problemen met de gemeente geen woning of postadres kon verkrijgen en dat hij slechts kortdurend in Duitsland verbleef omdat zijn gezin daar woonde.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf in Nederland had. De stelling van bewijsnood wordt verworpen omdat eiser zijn beweringen onvoldoende heeft onderbouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het naturalisatieverzoek blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van vijf jaar hoofdverblijf in Nederland.