ECLI:NL:RBDHA:2023:7647
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onvoldoende onderbouwing en alternatieven
De zaak betreft een verzoek van een gecertificeerde instelling tot machtiging om een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen wegens zorgen over zijn ontwikkeling en basale verzorging.
De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder belast is met het ouderlijk gezag en dat de minderjarige momenteel hoofdzakelijk in een pleeggezin verblijft. Er zijn zorgen geuit over onvoldoende voeding, affectieve aandacht en stagnatie in ontwikkeling. De moeder voert verweer dat de zorgen grotendeels gebaseerd zijn op achterhaalde of onjuiste informatie en stelt dat zij de zorg adequaat biedt.
De kinderrechter oordeelt dat een uithuisplaatsing een zwaar middel is dat alleen als laatste redmiddel ingezet mag worden. De gecertificeerde instelling heeft onvoldoende onderzocht of de zorgen met minder ingrijpende alternatieven kunnen worden weggenomen. Er wordt geadviseerd om intensievere hulpverlening in de thuissituatie en uitbreiding van deeltijdpleegzorg in te zetten.
Op basis hiervan wijst de kinderrechter het verzoek af en benadrukt het belang van samenwerking van de moeder met de hulpverlening. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het niet uitputten van minder ingrijpende alternatieven.