ECLI:NL:RBDHA:2023:7620
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening in verblijfsvergunningzaak
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 11 april 2022. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De staatssecretaris heeft bij besluit van 21 juni 2022 op het bezwaar beslist. De voorzieningenrechter heeft vervolgens zonder zitting uitspraak gedaan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter verwijst naar een eerdere uitspraak in een gerelateerde zaak (AWB 22/4423) waarin op het beroep is beslist en acht het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek wordt daarom afgewezen en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid.