ECLI:NL:RBDHA:2023:7561
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoeker heeft bij besluit van 1 juni 2022 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke niet in behandeling is genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. Bij besluit van 2 augustus 2022 werd het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Uit de stukken bleek dat het verzoekschrift geen gronden bevatte, wat een vereiste is volgens artikel 6:5 en Pro 8:81 Awb. De voorzieningenrechter gaf verzoeker de mogelijkheid om alsnog gronden in te dienen, maar hierop werd niet gereageerd.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard, hetgeen betekent dat het verzoek niet inhoudelijk is behandeld. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.