ECLI:NL:RBDHA:2023:7529
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende in oktober 2022 een asielaanvraag in Duitsland in en vervolgens in november 2022 een aanvraag in Nederland. Verweerder besloot de Nederlandse aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat verweerder artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten toepassen vanwege zijn wens tot gezinshereniging en dat de Duitse procedure in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM Pro vanwege gebrek aan gefinancierde rechtsbijstand en een verkorte procedure.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van automatische gefinancierde rechtsbijstand in Duitsland niet zonder meer strijdig is met het EVRM en dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de Duitse procedure binnen de kaders van de Procedurerichtlijn, het EU-Handvest en het EVRM valt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem kosteloze rechtsbijstand ten onrechte wordt onthouden of dat hij geen effectieve rechtsmiddelen heeft in Duitsland.
Verder is vastgesteld dat Duitsland het verzoek om terugname heeft geaccepteerd en dat eiser zijn verzoek tot gezinshereniging onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank bevestigde dat de Dublinverordening niet bedoeld is om gezinshereniging te realiseren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.