Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoekster
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 3 september 2021 tegen de weigering van een machtiging voor voorlopig verblijf. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris het bezwaar alsnog gegrond verklaard bij besluit van 26 oktober 2022. Hierdoor heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8:75a, eerste lid, Awb, de proceskosten kunnen worden toegewezen indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris aan verzoekster tegemoet is gekomen door alsnog een beslissing te nemen tijdens het beroep. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt daarom gegrond verklaard.
De proceskosten worden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift ter waarde van €837 en een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van het beroep. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de staatssecretaris verplicht is het betaalde griffierecht te vergoeden volgens artikel 8:41, zevende lid, Awb. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 23 januari 2023.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €418,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op bezwaar.