ECLI:NL:RBDHA:2023:7348

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2023
Publicatiedatum
23 mei 2023
Zaaknummer
NL23.9616
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
VluchtelingenverdragArt. 3 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken gronden Vluchtelingenverdrag en economische motieven

Eiser, een Algerijnse staatsburger, diende op 23 november 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Hij gaf aan dat hij Algerije had verlaten vanwege slechte economische omstandigheden en een wens tot een beter leven voor zichzelf en zijn familie. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een inreisverbod van twee jaar op.

De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser niet herleidbaar zijn tot gronden zoals genoemd in het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM Pro. De economische situatie vormt geen basis voor vluchtelingenstatus. Ook de dood van de vader van eiser in de jaren ’90 was geen directe aanleiding voor vertrek, en er waren geen andere asielgerelateerde problemen naar voren gebracht.

Verder woog de rechtbank mee dat eiser vijf maanden illegaal in Spanje verbleef en daarna in Frankrijk voordat hij in Nederland asiel aanvroeg, wat afbreuk doet aan de gestelde noodzaak tot bescherming. Ook werd meegewogen dat eiser in Nederland een gevangenisstraf van drie maanden had uitgezeten wegens woninginbraak, wat geen zelfstandige afwijzingsgrond was maar wel relevant.

De rechtbank vond het besluit zorgvuldig gemotiveerd en wees het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing als kennelijk ongegrond bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.9616
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: L. Verhaegh).

ProcesverloopBij besluit van 27 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.9617, op 13 april 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij heeft op 23 november 2022 zijn asielaanvraag ingediend en heeft daaraan - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat hij in Algerije weinig verdiende om rond te komen. Eiser is uit Algerije vertrokken omdat hij (in financiële zin) een beter leven wil voor zichzelf en zijn familie.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser niet te herleiden zijn tot één van de gronden zoals genoemd in het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiser zijn leven wil verbeteren, maar verweerder heeft er terecht op gewezen dat de economische situatie van eiser in Algerije geen raakvlakken heeft met het vluchtelingschap, dan wel met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten aanzien van de verklaringen van eiser over de dood van zijn vader merkt verweerder verder terecht op dat deze gebeurtenis geen directe aanleiding is geweest voor eiser om te vluchten uit Algerije. De vader van eiser is in de jaren ’90 overleden en dit is voor eiser nooit de aanleiding geweest om het land te verlaten. Bovendien heeft eiser door de dood van zijn vader nooit problemen ondervonden en is hij pas in 2022 uit zijn land van herkomst vertrokken. De rechtbank overweegt dat verweerder eiser voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om eventuele andere (asiel gerelateerde) problemen naar voren te brengen, maar dat eiser herhaaldelijk heeft verklaard dat de reden en directe aanleiding voor zijn vertrek de economische situatie is geweest.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder mee heeft kunnen laten wegen dat eiser niet direct asiel heeft aangevraagd toen hij in Europa aan kwam. Eiser heeft vijf maanden illegaal in Spanje verbleven en vervolgens is hij een tijdje in Frankrijk geweest voordat hij naar Nederland is gekomen om asiel aan te vragen. Verweerder stelt terecht dat deze gang van zaken afbreuk doet aan de gestelde vrees en noodzaak voor internationale bescherming. Ook heeft verweerder mee kunnen laten wegen dat eiser in Nederland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens een woninginbraak. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder dit gegeven niet zou mogen meewegen, omdat er niet naar is gevraagd tijdens het gehoor. Eiser was op de hoogte van de detentie, die hij immers net had uitgezeten toen hij de aanvraag deed, en had kunnen verwachten dat dit ook een rol zou kunnen spelen in deze procedure. Dat verweerder het uittreksel van Justitiële Documentatie van 25 januari 2023 pas later aan het dossier heeft toegevoegd maakt evenmin dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest of dat het besluit vernietigd zou moeten worden vanwege een motiveringsgebrek. Verweerder heeft er bovendien tijdens de zitting terecht op gewezen dat de strafrechtelijke veroordeling geen zelfstandige afwijzingsgrond is geweest en de relevantie hiervan dus beperkt is in deze procedure. Ook anderszins is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te oordelen dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is of onzorgvuldig is voorbereid.
Het beroep is ongegrond. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2023 door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Sari, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.