ECLI:NL:RBDHA:2023:7348
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken gronden Vluchtelingenverdrag en economische motieven
Eiser, een Algerijnse staatsburger, diende op 23 november 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Hij gaf aan dat hij Algerije had verlaten vanwege slechte economische omstandigheden en een wens tot een beter leven voor zichzelf en zijn familie. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een inreisverbod van twee jaar op.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser niet herleidbaar zijn tot gronden zoals genoemd in het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM Pro. De economische situatie vormt geen basis voor vluchtelingenstatus. Ook de dood van de vader van eiser in de jaren ’90 was geen directe aanleiding voor vertrek, en er waren geen andere asielgerelateerde problemen naar voren gebracht.
Verder woog de rechtbank mee dat eiser vijf maanden illegaal in Spanje verbleef en daarna in Frankrijk voordat hij in Nederland asiel aanvroeg, wat afbreuk doet aan de gestelde noodzaak tot bescherming. Ook werd meegewogen dat eiser in Nederland een gevangenisstraf van drie maanden had uitgezeten wegens woninginbraak, wat geen zelfstandige afwijzingsgrond was maar wel relevant.
De rechtbank vond het besluit zorgvuldig gemotiveerd en wees het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing als kennelijk ongegrond bevestigd.