ECLI:NL:RBDHA:2023:7077

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 mei 2023
Publicatiedatum
17 mei 2023
Zaaknummer
NL22.20368
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag en besluit afgewezen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 12 maart 2022. Verweerder heeft op 22 december 2022 alsnog een besluit genomen waarin de asielaanvraag werd ingewilligd. De rechtbank heeft eiseres verzocht te melden of zij het beroep wilde intrekken, maar zij heeft niet gereageerd, waardoor het beroep werd gehandhaafd.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen binnen de wettelijke kaders en de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Het beroep tegen het besluit van 22 december 2022 is ongegrond omdat het besluit de asielaanvraag heeft ingewilligd en geen bestuurlijke dwangsom is toegekend.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen in asielprocedures niet in strijd is met het Unierecht, maar het afschaffen van rechterlijke dwangsommen wel. De rechtbank volgt deze lijn en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ter hoogte van €418,50.

Uitkomst: Beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; beroep tegen besluit ongegrond; verweerder veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.20368

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Kaukab Alradi, eiseres

geboren op [geboortedatum]
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum]
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum]
[minderjarige]
geboren op [geboortedatum]
v-nummers: [nummers]
(gemachtigde: mr. R. Roelofsen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 10 oktober 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 12 maart 2022.
Bij besluit van 22 december 2022 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres ingewilligd.
De rechtbank heeft bij bericht van 29 december 2022 eiseres verzocht binnen twee weken de rechtbank te informeren of de inwilligende beslissing aanleiding is om het beroep in te trekken. Eiseres heeft niet gereageerd. De rechtbank leidt daaruit af dat het beroep wordt gehandhaafd.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
2. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet verweerder binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze wettelijke beslistermijn is verstreken, dat eiseres verweerder rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
4. Op 22 december 2022 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eiseres. Gelet hierop is er voor de rechtbank geen aanleiding om conform artikel 8:55d, van de Awb te bepalen dat verweerder alsnog een besluit op het verzoek dient te nemen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Eiseres heeft desgevraagd niet aangegeven of zij het met dit besluit eens is. De rechtbank constateert dat eiseres in beroep heeft verzocht om oplegging van een bestuurlijke dwangsom. Nu in het alsnog genomen besluit door verweerder geen bestuurlijke dwangsom aan eiseres is toegekend houdt de rechtbank het ervoor dat het bestreden besluit niet geheel aan het beroep van eiseres tegemoetkomt. Het beroep heeft daarom op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft zich in twee uitspraken van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) uitgelaten over de verbindendheid van artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet voor zover dat artikel de mogelijkheid uitsluit dat in de asielprocedure de staatssecretaris een dwangsom verbeurt wanneer hij na ingebrekestelling niet tijdig een besluit neemt op een asielaanvraag (de bestuurlijke dwangsom) en dat de bestuursrechter bepaalt dat de staatssecretaris een in een uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt (de rechterlijke dwangsom). Naar het oordeel van de ABRvS is het uitsluiten van het verbeuren van een bestuurlijke dwangsom niet in strijd met het Unierecht. Dit betekent dat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verbeurt als hij niet binnen twee weken na ingebrekestelling alsnog een besluit neemt op de asielaanvraag van de vreemdeling. Het afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken heeft de ABRvS wél in strijd met het Unierecht geacht. Artikel 1 van Pro de Tijdelijk wet is in zoverre onverbindend.
6. De rechtbank stelt vast – en tussen partijen is niet in geschil – dat verweerder niet binnen de beslistermijn van zes maanden heeft beslist op de asielaanvraag van eiseres. Partijen houdt verdeeld of verweerder dwangsommen heeft verbeurd.
7. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS is verweerder geen bestuurlijke dwangsom aan eiseres verschuldigd. Het beroep is, voor zover gericht tegen het besluit van 22 december 2022, ongegrond.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
-verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 22 december 2022, ongegrond;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. Kinds, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.