ECLI:NL:RBDHA:2023:6897
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe elementen
Eiser, een Oezbeekse staatsburger, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, nadat een eerdere aanvraag was afgewezen. Hij baseerde zijn verzoek op een gokschuld en de daaruit voortvloeiende bedreigingen en mishandeling in Oezbekistan. Verweerder had eerder vastgesteld dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer, maar dat bescherming door de Oezbeekse autoriteiten mogelijk is.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen had aangevoerd in zijn opvolgende aanvraag die nog niet waren onderzocht. Hoewel eiser in beroep nieuwe bronnen over corruptie in Oezbekistan aanvoerde, bevatten deze geen wezenlijk andere informatie die het eerdere oordeel zou wijzigen. De rechtbank achtte de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar vond onvoldoende bewijs dat de bescherming door de autoriteiten onmiskenbaar zou uitblijven.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, werd de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De opvolgende asielaanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond.