ECLI:NL:RBDHA:2023:6642
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens besluitvorming bezwaar
Verzoekster diende een aanvraag in voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv), welke door verweerder op 18 november 2021 werd afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar op 16 december 2021 en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op dit bezwaar op 21 november 2022. Verweerder nam vervolgens alsnog een besluit op het bezwaar op 9 februari 2023 en verklaarde het bezwaar ongegrond, daarbij werd een dwangsom toegekend.
Naar aanleiding hiervan trok verzoekster haar beroep in en verzocht de rechtbank verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder reageerde niet op dit verzoek. De rechtbank oordeelde dat verweerder aan verzoekster tegemoet was gekomen door alsnog te beslissen op het bezwaar, waardoor het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond was.
De proceskosten werden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op een puntentelling van het beroepschrift en een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van het beroep (alleen niet tijdig beslissen). Verzoekster was vrijgesteld van griffierecht vanwege betalingsonmacht, zodat verweerder niet verplicht was dit te vergoeden. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten aan verzoekster.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €418,50 aan proceskosten aan verzoekster.