ECLI:NL:RBDHA:2023:6364

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2023
Publicatiedatum
3 mei 2023
Zaaknummer
NL23.11613
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbArt. 8:57 AwbVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep en schadevergoeding tegen vreemdelingenbewaring op grond van Dublinverordening

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 16 maart 2023 onder vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening. De maatregel werd op 13 april 2023 opgeheven omdat eiser daadwerkelijk werd overgedragen.

Eiser stelde beroep in tegen de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank beperkte de beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. Eiser voerde aan dat het verdedigingsbeginsel was geschonden omdat verweerder onvoldoende had doorgevraagd naar persoonlijke omstandigheden die een lichter middel zouden rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat de gronden voor bewaring niet betwist waren en voldoende waren om het risico op onttrekking aan toezicht te rechtvaardigen. Eiser had in het gehoor geen feiten aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen en had ook in beroep geen concrete individuele omstandigheden genoemd. Ambtshalve onderzoek bevestigde de rechtmatigheid van de maatregel.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11613

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft op 17 april 2023 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 13 april 2023 de maatregel van bewaring opgeheven omdat hij in het kader van de Dublinverordening [1] is overgedragen.
Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de bestuursrechter bepaald dat het onderzoek zonder zitting kan worden behandeld. Eiser heeft zich hiermee schriftelijk akkoord verklaard.
Op 18 april 2023 heeft eiser de beroepsgronden ingediend. Op 21 april 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 25 april 2023 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59a van de Vw omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Verweerder heeft op grond van artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vijf zware gronden en vier lichte gronden aan de bewaring ten grondslag gelegd.
3. Eiser heeft noch de grondslag van de bewaring, noch de gronden ervan in beroep weersproken. Eiser voert aan dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd over persoonlijke belangen, bijzondere feiten of omstandigheden die zouden kunnen of moeten leiden tot de toepassing van een lichter middel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld is om te verklaren over de omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de toepassing van een lichter middel.
4. De rechtbank stelt voorop dat de niet betwiste gronden van de maatregel al voldoende dragend zijn voor de conclusie dat ten tijde van de maatregel een significant risico bestond dat eiser zich zou onttrekken aan het toezicht. Verder blijkt uit het proces verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel dat eiser expliciet gevraagd is of er redenen zijn om in zijn geval een lichter middel dan bewaring toe te passen. Eiser heeft vervolgens geen feiten of omstandigheden aangevoerd ter rechtvaardiging van een lichter middel. Eiser heeft ook in het gehoor verklaard dat hij de vragen goed heeft begrepen.
5. Daarbij komt dat eiser ook in beroep niet heeft verteld welke individuele omstandigheden er concreet aanwezig waren om in zijn geval een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond treft dus geen doel.
6. Ook ambtshalve onderzoek leidt niet tot de conclusie dat de maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.