ECLI:NL:RBDHA:2023:6207

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2023
Publicatiedatum
1 mei 2023
Zaaknummer
NL 22.8074
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na bezwaarbeslissing verblijfsvergunning asiel

Verzoeker, van Congolese nationaliteit, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die op 3 mei 2022 door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar. Tijdens de bezwaarprocedure verzocht verzoeker op 5 mei 2022 om een voorlopige voorziening.

Op 6 december 2022 werd het bezwaar door verweerder beslist, waarna verzoeker geen beroep instelde tegen deze beslissing. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en concludeerde dat door het ontbreken van een beroep tegen de bezwaarbeslissing de vereiste connexiteit voor het treffen van een voorlopige voorziening niet meer aanwezig was.

Daarom verklaarde de rechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier B. van der Wiel en is onherroepelijk, daartegen is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen beroep is ingesteld tegen de bezwaarbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.8074

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

geboren op [geboortedatum],
van Congolese nationaliteit,
V-nummer: [vnummer]
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Verzoeker heeft bij brief van 5 mei 2022 verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar tegen verweerders besluit van 3 mei 2022.
Verweerder heeft op 6 december 2022 beslist op het bezwaarschrift van verzoeker.
Verzoeker heeft geen beroep ingediend tegen de beslissing op het bezwaarschrift.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Op grond van artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Aangezien verweerder bij besluit van 6 december 2022 op het bezwaar van verzoeker heeft beslist, waartegen verzoeker vervolgens geen rechtsmiddelen heeft aangewend, is, gelet op artikel 8:81, tweede lid, Awb de vereiste connexiteit aan het verzoek komen te ontvallen.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van B. van der Wiel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.