Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
v-nummer: [v-nummer]
Rechtbank Den Haag
Eiser diende op 9 augustus 2022 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor zichzelf en zijn minderjarige kinderen van Syrische nationaliteit. De aanvraag werd op 22 augustus 2022 ontvangen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder). Eiser stelde verweerder bij brief van 7 februari 2023 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
Vervolgens stelde eiser op 28 februari 2023 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder had de beslistermijn van 90 dagen, die op 18 november 2022 zou aflopen, met drie maanden verlengd tot 18 februari 2023. De ingebrekestelling van 7 februari 2023 werd echter ontvangen op 8 februari 2023, voordat de verlengde beslistermijn was verstreken.
De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur en daarmee niet geldig was, zodat niet aan de vereisten van artikel 6:12 Awb Pro was voldaan. Hierdoor was het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de mvv-aanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege een prematuur ingediende ingebrekestelling.