ECLI:NL:RBDHA:2023:6161
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening visum kort verblijf wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker, met de Pakistaanse nationaliteit, heeft een aanvraag voor een visum kort verblijf ingediend die door verweerder is afgewezen vanwege onvoldoende aantoonbare verblijfsdoelen, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over het vertrek na het verblijf.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd om spoedige afgifte van het visum, met het argument dat hij zijn hoogbejaarde vader moet begeleiden die al een visum heeft ontvangen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek geen spoedeisend belang oplevert omdat het verblijf als bezoek aan een broer is opgegeven en niet is onderbouwd dat alleen verzoeker de vader kan begeleiden. Tevens heeft het verzoek geen voorlopig karakter omdat het toewijzen gelijkstaat aan het inwilligen van de aanvraag, waarvoor verweerder de beoordelingsbevoegdheid heeft.
Daarom wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen voorlopig karakter van het verzoek.