ECLI:NL:RBDHA:2023:6098
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige voor terugplaatsing bij vader
De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De kinderrechter had eerder een voorlopige machtiging verleend voor drie maanden, die nu wordt verminderd tot twee maanden.
De gecertificeerde instelling heeft sinds de geboorte van de minderjarige betrokkenheid gehad, maar kon pas recent de opvoedvaardigheden van beide ouders afzonderlijk onderzoeken. Uit het onderzoek, waaronder IQ-tests en observaties tijdens begeleide bezoeken, blijkt dat de vader momenteel het beste aansluit bij de behoeften van de minderjarige, ondanks een hoog risico op toekomstige kindonveiligheid dat gecompenseerd moet worden met hulpverlening.
De moeder voert verweer en betwist de uitkomsten van het onderzoek, wijst op haar taalachterstand en stelt dat zij altijd voor de minderjarige heeft gezorgd. De kinderrechter oordeelt echter dat de gronden voor uithuisplaatsing volgens artikel 1:265b BW aanwezig zijn en dat de machtiging noodzakelijk is om een zorgvuldige terugplaatsing bij de vader mogelijk te maken.
De machtiging wordt voor de duur van twee maanden verleend, met een gefaseerde terugplaatsing en inzet op positieve omgang met de moeder, die hulpverlening krijgt om haar trauma’s te verwerken en hechting te bevorderen. De beslissing is mondeling gegeven op 4 april 2023 en schriftelijk vastgesteld op 24 april 2023.
Uitkomst: De kinderrechter machtigt de uithuisplaatsing van de minderjarige voor twee maanden ter voorbereiding van terugplaatsing bij de vader met inzet van hulpverlening.