ECLI:NL:RBDHA:2023:6084
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Nederland had op 18 november 2022 een verzoek tot terugname aan Zwitserland gedaan, dat op 25 november 2022 werd aanvaard.
Eiser betoogde dat Zwitserland niet kan worden vertrouwd vanwege vermeende schendingen van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest, onderbouwd met rapporten van de Human Rights Council en de Asylum Information Database. Hij vreesde terugkeer naar zijn land van herkomst zonder adequate beoordeling van zijn asielaanvraag en stelde dat hij als vluchteling bijzonder kwetsbaar is.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Zwitserland en dat eiser onvoldoende concrete informatie heeft geleverd die wijst op systematische tekortkomingen in het Zwitserse asiel- en opvangsysteem. De aangehaalde rapporten en jurisprudentie boden geen aanleiding om het vertrouwen in Zwitserland te ondermijnen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de behandeling van de aanvraag in Zwitserland of de opvang van eiser daar. Klachten over eventuele tekortkomingen dienen bij de Zwitserse autoriteiten te worden ingediend. Het beroep werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.