Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
10 november 2022.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Pakistaanse staatsburger, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij op basis van de Dublinverordening is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser vreesde terugkeer naar Pakistan en stelde dat het claimakkoord geen veiligheid bood vanwege zijn Ahmadiyya-moslim achtergrond. Tevens voerde hij aan dat het bestreden besluit tegenstrijdige rechtsgevolgen bevatte, omdat enerzijds rechtmatig verblijf tot aan overdracht werd erkend, maar anderzijds de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mocht worden afgewacht.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op indirect refoulement bestaat bij overdracht aan Duitsland. De bewijslast hiervoor ligt bij de vreemdeling en vereist concrete aanwijzingen dat het beschermingsbeleid in Duitsland evident en fundamenteel verschilt van dat in Nederland. Verder zag de rechtbank geen tegenstrijdigheid in het besluit; het rechtmatig verblijf geldt tot overdracht en het indienen van een voorlopige voorziening schort de rechtsgevolgen op.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.