ECLI:NL:RBDHA:2023:5887

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 april 2023
Publicatiedatum
25 april 2023
Zaaknummer
NL23.5032
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000DublinverordeningECLI:NL:RVS:2022:1864
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Pakistaanse staatsburger, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij op basis van de Dublinverordening is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser vreesde terugkeer naar Pakistan en stelde dat het claimakkoord geen veiligheid bood vanwege zijn Ahmadiyya-moslim achtergrond. Tevens voerde hij aan dat het bestreden besluit tegenstrijdige rechtsgevolgen bevatte, omdat enerzijds rechtmatig verblijf tot aan overdracht werd erkend, maar anderzijds de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mocht worden afgewacht.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op indirect refoulement bestaat bij overdracht aan Duitsland. De bewijslast hiervoor ligt bij de vreemdeling en vereist concrete aanwijzingen dat het beschermingsbeleid in Duitsland evident en fundamenteel verschilt van dat in Nederland. Verder zag de rechtbank geen tegenstrijdigheid in het besluit; het rechtmatig verblijf geldt tot overdracht en het indienen van een voorlopige voorziening schort de rechtsgevolgen op.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.5032

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboortedatum [geboortedatum]
van Pakistaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Roelofsen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL23.5033. Hierop zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 9 november 2022 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard op
10 november 2022.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe, onder herhaling en inlassing van de zienswijze, het volgende aan. Eiser vreest te worden teruggestuurd naar Pakistan. Volgens eiser betekent het claimakkoord niet dat hij alsnog kans maakt op veiligheid in verband met zijn zwaarwegende problemen als Ahmadiyya moslim. Eiser stelt dat verweerder innerlijk tegenstrijdige rechtsgevolgen in het bestreden besluit noemt door enerzijds te stellen dat sprake is van rechtmatig verblijf tot aan de overdracht en anderzijds onder de rechtsmiddelenclausule te stellen dat de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag worden afgewacht.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland een risico loopt op (indirect) refoulement. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1864) volgt dat de bewijslast om een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk te maken bij de vreemdeling ligt. Om aan die bewijslast te voldoen moet een vreemdeling in de eerste plaats algemene informatie overleggen waaruit voldoende concrete aanknopingspunten volgen dat het beschermingsbeleid in de verantwoordelijke lidstaat evident en fundamenteel verschilt van het beleid dat door de Nederlandse autoriteiten wordt gevoerd. Dat evidente en fundamentele verschil moet erin gelegen zijn dat op voorhand duidelijk is – dus zonder een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag – dat een vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat op grond van het algemene beschermingsbeleid geen internationale bescherming krijgt, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt.
5. Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder tegenstrijdige rechtsgevolgen in het bestreden besluit heeft genoemd. Verweerder heeft in het bestreden besluit omschreven dat eiser rechtmatig verblijf heeft tot aan de overdracht aan Duitsland. Het instellen van beroep tegen het bestreden besluit bij de rechtbank schort de rechtsgevolgen van dat bestreden besluit niet op, maar het tijdig indienen van een voorlopige voorziening heeft wél als gevolg dat eiser de behandeling daarvan in Nederland mag afwachten. Nu eiser beroep heeft ingesteld en een voorlopige voorziening heeft ingediend, en dus de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarmee zijn opgeschort, kan de beroepsgrond van eiser niet slagen.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.