ECLI:NL:RBDHA:2023:5808
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid ondanks detentiegeschiedenis
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende een asielaanvraag in na tweemaal in detentie te hebben gezeten: in Algerije (2015-2016) en Tunesië (2017-2021). Hij verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij risico liep opnieuw onrechtmatig te worden behandeld, onder meer in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser geen persoonlijke problemen had ondervonden die aanleiding waren voor vertrek en zijn detentieperiodes niet als relevant element werden aangemerkt. Eiser stelde dat de detentie en slechte behandeling wel degelijk relevant waren en dat verweerder dit onvoldoende had meegewogen.
De rechtbank overwoog dat de detentie in Tunesië niet relevant was omdat deze buiten het land van herkomst plaatsvond en de detentie in Algerije te lang geleden was om relevant te zijn. Ook was het vertrek niet ingegeven door deze detentie. Het risico op toekomstige detentie werd als onvoldoende zwaarwegend beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wordt ongegrond verklaard.