ECLI:NL:RBDHA:2023:5766

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2023
Publicatiedatum
21 april 2023
Zaaknummer
NL23.10170
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in het kader van asielprocedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 april 2023 uitspraak gedaan in een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel die aan eiser was opgelegd op basis van artikel 6 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, vertegenwoordigd door mr. C. van Twillert, had beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die op 31 maart 2023 de maatregel had opgelegd. De maatregel werd opgeheven op 6 april 2023, waarna eiser ook schadevergoeding vroeg. De rechtbank heeft de zaak schriftelijk afgedaan, waarbij partijen toestemming verleenden voor deze procedure.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring in beginsel gerechtvaardigd was, gezien het grensbewakingsbelang. Eiser voerde aan dat de maatregel niet correct was gemotiveerd en dat zijn asielverzoek niet in de grensprocedure had mogen worden behandeld. De rechtbank concludeerde echter dat de maatregel op juiste wijze was opgelegd en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van de standaardprocedure rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende tijd had gekregen om het asielverzoek te onderzoeken en dat de vrijheidsontneming niet onrechtmatig was geweest.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door mr. M.P. Verloop, in aanwezigheid van griffier mr. J.R. Froma, en werd openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10170

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van Twillert).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2023 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 6 april 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk af te doen. Eiser heeft op 11 april 2023 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 13 april 2023
een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vervolgens op 13 april 2023 nadere gronden ingediend. De rechtbank heeft op 14 april 2023 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4.
Eiser voert aan dat maatregel op grond van artikel 4.6 Vb (de loungemaatregel) niet in het dossier is opgenomen en dat daarom niet gecontroleerd kan worden of de maatregel daadwerkelijk is genomen, juist is gemotiveerd en op de juiste wijze is uitgereikt. Daarnaast voert eiser aan dat zijn asielverzoek niet in de grensprocedure afgedaan had mogen worden. Eiser behoort namelijk tot een religieuze minderheidsgroep en heeft een gedocumenteerde aanvraag gedaan. Tot slot voert eiser aan dat de vrijheidsontnemende maatregel direct na het aanmeldgehoor opgeheven had moeten worden. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende voortvarend gehandeld.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt vast dat de loungemaatregel in het digitale dossier is opgenomen, onder nummer 13. Het dossierstuk is op 4 april om 15:28 uur geüpload. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voldoende tijd gehad om het dossierstuk te lezen en te betwisten.
7. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [1] vergt het grensbewakingsbelang in het geval een asielverzoek aan de grens wordt gedaan in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Niet gebleken is dat in het geval van eiser sprake was van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan hiervan diende te worden afgeweken.
8. Ingevolge de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 3 juni 2016 [2] hoeft verweerder bij toepassing van de grensprocedure niet reeds bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Verweerder dient een redelijke termijn te worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Daarbij wordt de beslissing hierover in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Daarnaast kan verweerder bijvoorbeeld onderzoeken of sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, van een veilig derde land of van een mogelijke Dublinclaim.
9. De omstandigheid dat eiser tot een religieuze minderheidsgroep behoort die verweerder tot een risicogroep heeft aangemerkt en direct te kennen heeft gegeven asiel te willen aanvragen, betekent niet dat verweerder niet in de gelegenheid mocht worden gesteld om een onderzoek als hiervoor bedoeld te verrichten.
10. Uit paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt verder dat verweerder gedurende de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure voortdurend dient af te wegen of het asielverzoek zich nog steeds leent voor afdoening in de grensprocedure. Of verweerder die beoordeling voldoende voortvarend ter hand heeft genomen, kan slechts terughoudend worden getoetst in deze procedure.
11. Eiser heeft op 31 maart 2023 een asielaanvraag ingediend en is op diezelfde datum opgenomen in de grensprocedure. Op 3 april 2023 heeft het aanmeldgehoor plaatsgevonden, en met ingang van 6 april 2023 is de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee een juiste invulling gegeven aan de verplichting voortdurend af te wegen of de asielaanvraag zich nog steeds leent voor afdoening in de grensprocedure. Hiermee heeft verweerder zorgvuldig en voldoende voortvarend gehandeld.
Conclusie
12. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling, onder meer de uitspraak van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
2.Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.