ECLI:NL:RBDHA:2023:5663

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2023
Publicatiedatum
20 april 2023
Zaaknummer
NL23.10536
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L. Willems - Keekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000ECLI:EU:C:2022:858
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting maatregel bewaring vreemdeling onder verwijzing naar EU-rechtspraak

De zaak betreft een beroep van een vreemdeling tegen de voortzetting van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank toetst of de voortzetting van de bewaring sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 7 april 2023 rechtmatig is.

De rechtbank constateert dat de vreemdeling niet heeft gereageerd op de voortgangsrapportage van de staatssecretaris en dat de staatssecretaris actief en voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting, onder meer door het aanvragen van een laissez-passer bij de Marokkaanse autoriteiten. Er is voldoende zicht op uitzetting en geen aanwijzingen dat de bewaring onrechtmatig is.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 13 april 2023 waarin de bewaring tot dat moment rechtmatig werd bevonden en naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, dat ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van voortzetting vereist.

Gelet hierop verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10536

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Verweerder heeft op 23 november 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op 3 april 2023, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 22022, ECLI:EU:C:2022:858, in kennis gesteld van het voortduren van de bewaring.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop in deze procedure niet gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 14 april 2023. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank uitspraak gedaan zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 april 2023 (in de zaak NL23.9565) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 7 april 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser in deze procedure niet heeft gereageerd op de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage van 30 maart 2023. Verweerder heeft bij bericht van 13 april 2023 nog laten weten dat het laatste rappel bij de Marokkaanse autoriteiten dateert van 12 april 2023. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee actief en voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser sinds 7 april 2023. Verder is de rechtbank van oordeel dat, nu de aanvraag ter verkrijging van een laissez-passer ten behoeve van eiser nog steeds in onderzoek is bij de Marokkaanse autoriteiten, er ook voldoende zicht op uitzetting bestaat. Er bestaan geen aanknopingspunten om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de hiervoor genoemde uitspraak van 13 april 2023.
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is
ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden in het kader van de voortduring van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek op 7 april 2023 en het sluiten van het onderhavige onderzoek op 14 april 2023 op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarom bestaat er geen aanleiding om de maatregel op te heffen en schadevergoeding aan eiser toe te kennen.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Willems - Keekstra, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.