ECLI:NL:RBDHA:2023:5530

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2023
Publicatiedatum
19 april 2023
Zaaknummer
NL23.10094
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 28 Verordening (EU) Nr. 604/2013
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublinverordening

Verzoeker is op grond van een besluit van 3 april 2023 overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland volgens de Dublinverordening. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd om niet uitgezet te worden voordat op het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter overweegt dat de overdrachtstermijn volgens de Dublinverordening zes weken bedraagt, maar dat het beroep mogelijk niet binnen deze termijn kan worden behandeld, waardoor onverwijlde spoed aanwezig is. Het belang van verzoeker om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn beroep weegt zwaarder dan het belang van verweerder om de overdracht eerder te effectueren.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegekend en het bestreden besluit geschorst. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Duitsland wordt geschorst tot de behandeling van het beroep is afgerond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10094

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: D. Benschop).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeker wordt overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland zoals bedoeld in de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
Verzoeker heeft beroep (NL23.10093) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet zal worden uitgezet tot vier weken nadat er op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.
2. Volgens het bestreden besluit moet verzoeker worden overgedragen aan een andere lidstaat op basis van de Dublinverordening. Deze verordening stelt een termijn waarbinnen de overdracht van verzoeker dient plaats te vinden. Omdat verzoeker in vreemdelingenbewaring zit, is de termijn van artikel 28, derde lid, van deze verordening van toepassing. Dit betekent dat de overdracht zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen zes weken na de aanvaarding van het terugnameverzoek van 30 maart 2023, dan wel gerekend vanaf het tijdstip waarop het beroep of bezwaar niet langer opschortende werking heeft, wordt geëffectueerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoeker mogelijk niet kan worden behandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter zal dan ook bij wijze van ordemaatregel het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat het beroep binnen afzienbare termijn op zitting kan worden behandeld en dat de uiterste overdrachtstermijn ten gevolge van deze uitspraak wordt gestuit.
4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten en om te bepalen dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184 moet vergoeden. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 837,- bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker de behandeling van zijn beroep (zaak met nummer NL23.10093) in Nederland mag afwachten;
 veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ter hoogte van € 837,- (achthonderdzevenendertig euro);
 bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184 (honderdvierentachtig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.