ECLI:NL:RBDHA:2023:5437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2023
Publicatiedatum
18 april 2023
Zaaknummer
NL23.1319
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 Vw 2000Art. 59 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen maatregel van bewaring na opheffing en toezegging schadevergoeding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een maatregel van bewaring die op 14 januari 2023 werd opgelegd en op 16 januari 2023 werd opgeheven. De rechtbank constateert dat de bewaring vanaf het begin op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd en dat verweerder inmiddels schadevergoeding en proceskostenvergoeding heeft toegezegd.

Eiser wenst een uitspraak over de rechtmatigheid van de voorafgaande ophouding, die volgens hem onrechtmatig was en doorwerkt in de nieuwe maatregel. De rechtbank oordeelt echter dat eiser geen belang heeft bij het beroep omdat het doel van het beroep, namelijk beëindiging van de bewaring en vergoeding, is bereikt.

De rechtbank wijst het beroep af als niet-ontvankelijk en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat deze reeds door verweerder wordt betaald. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen aangezien verweerder uit eigen beweging de kosten vergoedt.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is niet-ontvankelijk verklaard omdat de bewaring is opgeheven en volledige schadevergoeding is toegezegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1319

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 16 januari 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Veseli. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder de maatregel van bewaring op 16 januari 2023 heeft opgeheven omdat deze vanaf aanvang op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd. Verweerder heeft toegezegd aan eiser een schadevergoeding toe te kennen voor de periode waarin eiser ten onrechte in bewaring is gesteld (van 14 tot 16 januari 2023) en de proceskosten te zullen vergoeden.
2. Eiser stelt dat verweerder weliswaar de bewaring heeft opgeheven, omdat deze op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd, maar dat neemt niet weg dat eiser graag een uitspraak wil van de rechtbank waarin een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van de ophouding die aan de maatregel vooraf is gegaan. Naar de mening van eiser is de ophouding namelijk ten onrechte gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. Dit maakt de onderhavige maatregel onrechtmatig en deze onrechtmatigheid werkt (alleen na constatering dat de onrechtmatigheid in het voortraject de onderhavige maatregel onrechtmatig maakt) door in de op 16 januari 2023 opgelegde (nieuwe) maatregel van bewaring, aldus eiser.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bewaring inmiddels is opgeheven onder (toezegging van) toekenning van schadevergoeding en proceskostenvergoeding en dat daarmee ‘het doel is bereikt’. Het gebrek dat aan de eerste maatregel kleefde is daarmee gecompenseerd.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de onderhavige beroepsprocedure, omdat de bewaring op 16 januari 2023 is opgeheven en volledige schadevergoeding en vergoeding van proceskosten is toegezegd. Het doel van het instellen van beroep is daarmee bereikt. De onrechtmatigheid van de onderhavige maatregel, vanaf aanvang daarvan, staat nu vast en “onrechtmatiger” dan onrechtmatig kan niet. De rechtbank ziet geen beletsel om de door eiser gestelde onrechtmatigheid in het voortraject te betrekken bij de beoordeling van de nieuwe maatregel van bewaring (zaaknummer NL23.1376), dus deze gestelde onrechtmatigheid levert geen zelfstandig procesbelang op bij het beroep tegen de onderhavige maatregel.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen nu dit reeds uit eigen beweging door verweerder wordt betaald.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat, nu verweerder reeds uit eigen beweging overgaat tot vergoeding van deze kosten, geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 januari 2023
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.