ECLI:NL:RBDHA:2023:5237
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende onderbouwde vrees voor vervolging in Pakistan
Eiser, afkomstig uit Pakistan, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vermeende vervolging door nabestaanden van zijn vader en de Pakistaanse autoriteiten. Hij stelde dat hij risico liep op wraakacties en gevangenisstraf vanwege de activiteiten van zijn vader als mensensmokkelaar en de moord op zijn broer.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor het overlijden van zijn broer en dat zijn verklaringen over vervolgingsrisico's niet aannemelijk waren. Ook het incident uit 2002 werd niet als grond voor bescherming erkend, mede omdat eiser lange tijd zonder problemen in Pakistan verbleef en geen concrete aanwijzingen gaf voor dreigend gevaar.
Verder werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro en de bijzondere afhankelijkheid van zijn dove partner verworpen, omdat beiden geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben en de situatie niet als schrijnend werd aangemerkt.
De rechtbank concludeerde dat de asielaanvraag terecht was afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen.