ECLI:NL:RBDHA:2023:5136
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugvordering WIA-uitkering wegens te hoge uitkering door neveninkomsten
Eiser diende op 15 augustus 2019 een aanvraag in voor een WIA-uitkering, die vanaf 28 november 2019 werd toegekend. Verweerder stelde vast dat eiser in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 april 2021 te veel uitkering ontving vanwege neveninkomsten uit werk en vorderde aanvankelijk €8.551,33 bruto terug.
Na bezwaar verlaagde verweerder het terugvorderingsbedrag tot €4.737,32 bruto en beperkte de terugvordering tot de periode 1 december 2019 tot en met 21 mei 2020. Eiser voerde aan dat het hem niet duidelijk was dat hij teveel ontving, omdat hij in de maanden december 2019 en januari 2020 salaris doorbetaald kreeg door zijn werkgever en in maart en april 2020 een aanvulling op zijn uitkering ontving.
De rechtbank oordeelde dat eiser redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de neveninkomsten van invloed waren op zijn recht op uitkering en dat hij deze had moeten melden. Het verweer dat eiser vanwege beperkte verstandelijke vermogens niet op de hoogte was, werd niet gevolgd wegens gebrek aan onderbouwing. De berekening van verweerder werd als juist beoordeeld, waarbij ook de reservering van vakantiegeld werd meegenomen.
De terugvordering werd gegrond verklaard en het beroep ongegrond. Er werden geen dringende redenen gevonden om van terugvordering af te zien. De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de terugvordering van €4.737,32 bruto wegens te hoge WIA-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.