ECLI:NL:RBDHA:2023:5125
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid illegale uitreis en risico schending artikel 3 EVRM
Eiseres, van Eritrese nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep, waarbij eiseres onder meer stelde dat zij in 2014 een poging had gedaan Eritrea illegaal te verlaten en daarvoor gevangen was gezet. Dit werd pas in latere correcties en aanvullingen naar voren gebracht.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht vond dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij Eritrea illegaal had verlaten of een poging daartoe had gedaan. De verklaring over de illegale uitreis was pas laat ingebracht en strookte niet met eerdere verklaringen. Ook de overgelegde kwitantie, hoewel technisch authentiek, kon inhoudelijk niet als bewijs worden aangenomen vanwege wisselende verklaringen van eiseres.
Verder was er geen aanleiding voor een medisch onderzoek naar de psychische toestand van eiseres, aangezien zij tijdens het gehoor voldoende kon verklaren. De rechtbank volgde het standpunt dat geen risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer was aangetoond.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. D. Biever en kan in hoger beroep worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is ongegrond verklaard.