Eiser, van Armeense nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen ingediend die telkens zijn afgewezen. Hij stelt onoverkomelijke gewetensbezwaren te hebben tegen het vervullen van zijn dienstplicht in Armenië, voortkomend uit zijn christelijke geloof, en vreest vervolging bij terugkeer vanwege zijn dienstweigering.
Verweerder betwist de ernst van deze gewetensbezwaren en baseert zich op een Thematisch Ambtsbericht dat aangeeft dat vervolging en zware bestraffing van dienstweigeraars in Armenië niet aannemelijk is. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft toegelicht waarom hij nu wel gewetensbezwaren heeft terwijl hij eerder zijn dienstplicht heeft vervuld. Ook acht de rechtbank de vrees voor vervolging onvoldoende aannemelijk.
Wel constateert de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen uitvoering wordt gegeven aan de strafbepalingen tegen dienstweigering in Armenië, hetgeen een motiveringsgebrek oplevert. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser. Eiser heeft nog belang bij de zaak ondanks zijn vertrek met onbekende bestemming. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.