ECLI:NL:RBDHA:2023:4742
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring
Eiser is sinds december 2022 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.
De rechtbank heeft eerder al geoordeeld dat de maatregel tot het moment van de laatste uitspraak rechtmatig was. Het geschil richt zich nu op de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring sinds die uitspraak. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko vanwege het ontbreken van een laissez passer en dat verweerder onvoldoende inspanningen verricht om zijn uitzetting te realiseren.
Verweerder stelt daartegenover dat er voldoende voortvarend wordt gehandeld, met vertrekgesprekken en rappelleringen bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om aan te nemen dat er geen redelijk zicht op uitzetting bestaat en dat verweerder onvoldoende handelt. Ook de duur van de bewaring weegt niet zwaarder dan het belang van voortzetting.
De rechtbank houdt ambtshalve toezicht op de rechtmatigheid van de maatregel en ziet geen grond voor onrechtmatigheid. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.