Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:4176

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2023
Publicatiedatum
28 maart 2023
Zaaknummer
C/09/636575 / JE RK 22-2127
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij tante wegens onveilige thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2008. De minderjarige vertoont problemen op school, waaronder te laat komen, onvoldoende voorbereiding en een zorgmijdende houding. Er is een grote achterstand ontstaan door onrust in de thuissituatie.

Er is een MDFT-therapie gestart gericht op oudercontacten, maar de minderjarige heeft slechts één gesprek bijgewoond. Hulpverlening via thuiszorg en een begeleidster is ingezet, maar afspraken worden niet nagekomen. Recentelijk vonden geweldsincidenten plaats waarbij de vader de woning van de moeder betrad en spullen vernielde, ondanks een contact- en locatieverbod. Hierdoor is het niet veilig voor het gezin om samen te blijven.

Omdat er geen plek is in de gewenste driemilieuvoorziening, verblijft de minderjarige momenteel bij zijn tante aan moederszijde, waar hij zich prettig voelt en wil blijven. De moeder stemt in met deze oplossing. De kinderrechter acht de wettelijke gronden voor uithuisplaatsing aanwezig en machtigt de gecertificeerde instelling tot plaatsing bij de tante voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 25 juli 2023.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de tante moederszijde voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 25 juli 2023.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/636575 / JE RK 22-2127
Datum uitspraak: 27 februari 2023

Beschikking van de kinderrechter

Machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 24 november 2022 ingekomen verzoekschrift van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (verder: de gecertificeerde instelling),
betreffende:
- [minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2008 te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen: [minderjarige01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw01] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats01] .
De kinderrechter merkt als informant aan:

[de man01] ,hierna te noemen: de vader,

Wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 30 november 2022 van de kinderrechter in deze rechtbank is de behandeling van het verzoek aangehouden 27 februari 2023.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- voornoemde beschikking d.d. 30 november 2022;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling, d.d. 22 februari 2022.
Op 27 februari 2023 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:
- [naam01] namens de gecertificeerde instelling met de collega [naam02] als toehoorder;
- de moeder;
- mevrouw [naam03] van [thuiszorg01] als toehoorder.
[minderjarige01] is op 27 februari 2023 in raadkamer gehoord.
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de vader.

Verzoek

Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling het verzoek gewijzigd in een machtiging [minderjarige01] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de tante moederszijde, in plaats van in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 25 juli 2023.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. [minderjarige01] is de afgelopen periode de meeste dagen op school verschenen, maar hij komt echter nog vaak te laat, bereidt zijn lessen niet voor en neemt geen actieve houding aan. Vanwege de problematiek en onrust in de thuissituatie is er een grote achterstand ontstaan, welke op dit moment nog niet is ingehaald. Dat [minderjarige01] nu naar school gaat is in de visie van de gecertificeerde instelling vooral te danken aan een aantal extrinsieke motivatiegronden waardoor de zorgen over de schoolsituatie blijven bestaan. Op 3 januari jl. heeft [minderjarige01] een intakegesprek gehad bij [instelling01] voor een eventuele plaatsing in een driemilieuvoorziening. [minderjarige01] is zorg mijdend en laat vaak een onverschillige houding zien, wat zijn ontwikkeling in de weg staat. Er is MDFT-therapie opgestart wat gericht is op het contact met de ouders en de interacties tussen de ouders. Er is één individueel gesprek geweest met [minderjarige01] , verdere afspraken is hij niet nagekomen. [thuiszorg01] is ingezet ter ondersteuning in de schoolgang en voor praktische alledaagse zaken, maar ook met de begeleidster vanuit [naam04] komt [minderjarige01] de afspraken niet na. Op 18 en 19 januari jl. heeft er een opnieuw een geweldsincident plaatsgevonden waarbij de vader naar de woning van de moeder is gegaan waar [minderjarige01] en zijn zusje op dat moment, tegen de veiligheidsafspraken in, alleen thuis waren. Vervolgens heeft hij in de woning de spullen van de moeder vernield. De vader heeft opnieuw een gedragsaanwijzing gekregen in de vorm van een contact- en locatieverbod. Het is niet veilig voor het gezin om samen te blijven en er daarom is zo snel mogelijk gezocht naar een geschikte plek voor [minderjarige01] . De gecertificeerde instelling acht de driemilieuvoorziening van Rijnhoven de beste plek voor [minderjarige01] , maar daar is (nog) geen plek. [minderjarige01] kon bij zijn tante moederszijde terecht en hij kan en wil hier de komende periode ook blijven ter overbrugging. De gecertificeerde instelling verzoekt daarom om de machtiging in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de tante moederszijde, toe te wijzen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De moeder heeft ingestemd met het gewijzigde verzoek. De moeder zou het liefst willen dat [minderjarige01] bij de moeder woont, maar door de situatie met de vader is dat op dit moment helaas niet mogelijk. De moeder heeft dan liever dat [minderjarige01] bij de tante moederszijde verblijft dan ergens anders. [minderjarige01] mag zelf beslissen of hij contact heeft met de vader, de moeder zou dat niet in de weg staan.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.
Daarbij overweegt de kinderrechter dat de schoolgang van [minderjarige01] is verbeterd, maar dat er nog steeds zorgen zijn over de motivatie en werkhouding die hij op school laat zien en over de achterstanden die hij heeft opgelopen door de onrust in de thuissituatie. De MDFT-therapie is opgestart en er is hulpverlening vanuit [thuiszorg01] ingezet, maar dit is mede door de zorg mijdende houding van [minderjarige01] nog onvoldoende van de grond gekomen. Hierdoor is de hulpverlening er nog niet in geslaagd om met [minderjarige01] in gesprek te gaan over zijn gevoelens en de heftige incidenten die hebben plaatsgevonden. Belangrijker nog: er heeft recentelijk opnieuw een geweldsincident met de vader plaatsgevonden waardoor het niet langer veilig is voor [minderjarige01] en de rest van het gezin om bij de moeder te wonen. Er is (nog) geen plek bij de driemilieuvoorziening van Rijnhoven en daarom verblijft [minderjarige01] op dit moment bij de tante moederszijde, waar hij zich fijn voelt en zelf ook graag wil verblijven. De kinderrechter zal de machtiging om [minderjarige01] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de tante moederszijde, daarom toewijzen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 25 juli 2023.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
machtigt Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, [minderjarige01] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de tante moederszijde, van 27 februari 2023 tot 25 juli 2023, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2023 door mr. E.J. Stalenberg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 maart 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.