ECLI:NL:RBDHA:2023:3984

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
27 maart 2023
Zaaknummer
NL23.7074
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 50 lid 3 VwArt. 5.1b lid 3 VbArt. 5.1b lid 4 VbVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 7 maart 2023 door verweerder een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel was gericht op het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit en het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, vanwege het risico op onttrekking aan toezicht.

Verweerder liet tijdens de zitting de zware gronden 3f en 3h en lichte grond 4a vallen, maar handhaafde de overige gronden. De rechtbank oordeelde dat de grondslag van artikel 59b lid 1 onder c onterecht was toegepast omdat eiser niet in bewaring was in het kader van een terugkeerprocedure. Desondanks was de maatregel gegrond op de overige gronden uit lid 1 onder a en b.

Eiser betwistte de grondslag van artikel 59b lid 1 onder a met het argument dat deze tegenstrijdig was met artikel 50 lid 3 van Pro de Vw, maar de rechtbank stelde vast dat deze grondslagen verschillend zijn en dat eiser geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit had overgelegd.

De rechtbank concludeerde dat de overige gronden feitelijk juist en voldoende waren om het risico op onttrekking aan toezicht aan te nemen en dat de maatregel rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.7074

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen via beeldverbinding. Hij heeft zich laten bijstaan door mr. A.K.E. van den Heuvel, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, via beeldverbinding.

Overwegingen

1. Eiser stelt op [geboortedatum] te zijn geboren en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder ten aanzien van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor een beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen.
Verweerder heeft als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet.
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Verweerder heeft ter zitting de zware gronden 3f en 3h laten vallen alsmede de lichte grond 4a. De overige gronden heeft verweerder gehandhaafd.
4. Ten aanzien van de grondslag van bewaring van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, heeft eiser aangevoerd dat de deze grondslag tegenstrijdig is met de grondslag waarop eiser is opgehouden, te weten artikel 50, derde lid, van de Vw.
5. De rechtbank oordeelt dat er een onderscheid bestaat tussen het vaststellen van de identiteit op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw en de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. In dit geval hebben de Belgische autoriteiten gegevens aan verweerder verstrekt in het kader van een overdracht op grond van de Dublinverordening. [3] Voor de vaststelling van de identiteit als bedoeld in artikel 50, derde lid, van de Vw is dit voldoende. Dat laat echter onverlet dat eiser zijn identiteit met documenten moet onderbouwen en daarop ziet grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Verweerder heeft daarbij aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen document ter staving van zijn gestelde identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a t/m 3e en de lichte gronden 4b t/m 4d die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, niet heeft betwist. Deze gronden acht de rechtbank feitelijk juist en - in onderlinge samenhang bezien - voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef, onder a en b van de Vw daarom dragen. De beroepsgronden gericht tegen de overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
7. Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring wordt gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, [4] (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
8. Verweerder heeft ter zitting de voorwaarde van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, onder 1°. laten vallen, omdat eiser tot dusver niet in bewaring wordt gehouden in het kader van een terugkeerprocedure. Verweerder heeft wel de hiervoor onder rechtsoverweging 7 genoemde 2° en 3° van artikel 59b, eerste lid aanhef en onder c van de Vw gehandhaafd.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bewaringsmaatregel niet heeft kunnen baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiser bevond zich immers niet reeds in bewaring in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn. Nu de drie in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw genoemde voorwaarden cumulatief zijn geformuleerd en niet is voldaan aan voorwaarde (1°), concludeert de rechtbank dat deze grondslag onterecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd. Nu de maatregel ook is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw leidt het voorgaande niet tot een onrechtmatig opgelegde maatregel van bewaring.
10. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij, nu zij gehouden is de maatregel van bewaring ambtshalve op rechtmatigheid te beoordelen, ook los van wat eiser zelf aanvoert geen onregelmatigheden heeft vastgesteld die leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel. [5]
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Richtlijn 2008/115/EG.
5.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21.