ECLI:NL:RBDHA:2023:3843
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak wegens ontbreken beroepsprocedure
Verzoekster, een persoon van Ugandese nationaliteit, heeft bezwaar gemaakt tegen een ambtshalve beoordeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd afgewezen. Na afwijzing van het bezwaar heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat tegen het besluit op bezwaar geen beroepsprocedure is ingesteld, is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Dit volgt uit de wettelijke regeling dat een voorlopige voorziening alleen kan worden gevraagd als er een beroepsprocedure loopt.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.H. de Groot en griffier P.W. Karsowidjojo en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroepsprocedure.