ECLI:NL:RBDHA:2023:3843

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2023
Publicatiedatum
23 maart 2023
Zaaknummer
NL21.16720
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak wegens ontbreken beroepsprocedure

Verzoekster, een persoon van Ugandese nationaliteit, heeft bezwaar gemaakt tegen een ambtshalve beoordeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd afgewezen. Na afwijzing van het bezwaar heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat tegen het besluit op bezwaar geen beroepsprocedure is ingesteld, is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Dit volgt uit de wettelijke regeling dat een voorlopige voorziening alleen kan worden gevraagd als er een beroepsprocedure loopt.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.H. de Groot en griffier P.W. Karsowidjojo en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.16720

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoekster

geboren op [geboortedatum] ,
van Ugandese nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Akkaya),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 8 oktober 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt bij brief van 22 oktober 2021. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit. Bij besluit van 18 februari 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter constateert dat tegen dat laatste besluit geen beroepsprocedure loopt. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.W. Karsowidjojo, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.