Art. 7:677 lid 2 BWArt. 7:677 lid 3 sub a BWArt. 7:672 lid 2 onder a BWArt. 7:678 BWArt. 7:686a lid 3 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vergoeding werkgever na rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens diefstal
Hoogvliet B.V. heeft een vergoeding gevorderd op grond van artikel 7:677 lid 2 BWPro nadat zij een werknemer op staande voet ontsloeg wegens diefstal. De arbeidsovereenkomst was voor bepaalde tijd, maar tussentijds opzegbaar met een wettelijke opzegtermijn van één maand. De werknemer was op 11 april 2023 ontslagen en het ontslag werd bevestigd in een brief van 12 april 2023.
De kantonrechter overwoog dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was, zoals eerder vastgesteld in een gerelateerde procedure. De vergoeding werd berekend over de periode dat de arbeidsovereenkomst bij reguliere opzegging zou hebben voortgeduurd, tot en met 31 mei 2023, en bedroeg € 1.603,20. Daarnaast werd een schadevergoeding van € 400,00 toegekend wegens diefstal van geld uit de geldlade, waarvoor voldoende bewijs was geleverd.
De vordering tot betaling van een additioneel bedrag van € 400,00 werd afgewezen vanwege gebrek aan bewijs. De wettelijke rente over beide bedragen werd toegewezen vanaf 11 april 2023. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten, die werden beperkt tot het griffierecht van € 365,00 en nakosten van € 132,00. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Werknemer veroordeeld tot betaling van vergoeding en schadevergoeding met wettelijke rente na rechtsgeldig ontslag op staande voet.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Gravenhage
DN/c
Zaaknr.: 10561227 RP VERZ 23-50361
Uitspraakdatum: 24 oktober 2023
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
HOOGVLIET B.V.,
te Bleiswijk,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Hoogvliet,
gemachtigde: mr. O.J. Praamstra,
tegen
[verwerende partij],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verwerende partij] ,
gemachtigde: mr. Y. Ersoy.
1.Het procesverloop
1.1.
Hoogvliet heeft de kantonrechter bij verzoekschrift met productie genummerd 1 tot en met 3, bij de griffie ingekomen op 2 juni 2023, verzocht om toewijzing van een vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 metPro nevenvordering.
1.2.
[verwerende partij] heeft op 16 augustus 2023 een verweerschrift ingediend met producties genummerd 1 tot en met 3.
1.3.
Op 24 augustus 2023 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. De behandeling van het verzoek heeft tegelijk met de behandeling van het door [verwerende partij] ingediende verzoekschrift tot toekenning van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding plaatsgevonden (bij deze rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer: 10550578 \ RP VERZ 23-50346). Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.
1.4.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is beschikking (nader) bepaald op heden.
2.De feiten
2.1.
Hoogvliet exploiteert een keten van supermarkten. Eén van de filialen is gevestigd aan ’t Kleine Loo 270 in Den Haag.
2.2.
[verwerende partij] is op 4 juni 2022 bij Hoogvliet in dienst getreden in de functie van kassamedewerkster voor de duur van 8 maanden en is aansluitend verlengd voor de duur van een jaar. Het salaris van [verwerende partij] bedroeg laatstelijk € 802,40 bruto per 4 weken. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO VGL van toepassing.
2.3.
Tijdens een gesprek op 11 april 2023 met de afdelingsmanager [naam 1] (hierna: de afdelingsmanager) en de supermarktmanager [naam 2] (hierna: de supermarktmanager) is [verwerende partij] op staande voet ontslagen.
2.4.
Het ontslag is bij brief van 12 april 2023 aan [verwerende partij] bevestigd. In deze brief is het volgende - voor zover thans van belang - vermeld:
“Hierbij bevestigen wij u schriftelijk dat wij u heden (bedoeld is 11 april 2023: toevoeging kantonrechter)op staande voet hebben aangezegd wegend een dringende reden conform artikel 7:678 BWPro.
Wij zullen u op korte termijn een meer uitgebreide brief doen toekomen. (…)”
2.5.
Bij brief van 30 mei 2023 heeft (de gemachtigde van) [verwerende partij] de geldigheid van het ontslag op staande voet bestreden. Een reactie van Hoogvliet is uitgebleven.
3.Het verzoek en het verweer
3.1.
Hoogvliet verzoekt aan haar – bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad – ten laste van [verwerende partij] een vergoeding van € 1.603,20 toe te kennen. Daarnaast vordert zij veroordeling van [verwerende partij] tot betaling aan Hoogvliet van een bedrag van € 800,00, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 april 2023 met veroordeling van [verwerende partij] in de proceskosten.
3.2.
Aan dit verzoek legt Hoogvliet – samengevat – het volgende ten grondslag. [verwerende partij] is op 11 april 2023 op staande voet ontslagen omdat zij geld heeft weggenomen uit de geldlade door te frauderen met de uitbetaling van prijzengeld en de inname van retourgoederen. Nu [verwerende partij] door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven, is zij Hoogvliet op grond van artikel 7:677 lid 2 BWPro een vergoeding verschuldigd die gelijk is aan het vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, maar is tussentijds opzegbaar met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn, zodat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voor te duren tot en met 31 mei 2023. [verwerende partij] heeft erkend een bedrag van € 800,00 te hebben weggenomen. Op grond van artikel 7: 686a lid 3 BW vordert Hoogvliet in deze procedure terugbetaling van dit bedrag. Het verzuim ten aanzien van de betaling van de gefixeerde schadevergoeding als de terugbetaling van € 800,00 is ingetreden op 11 april 2023, zodat [verwerende partij] vanaf die datum wettelijke rente over beide bedragen is verschuldigd.
3.3.
[verwerende partij] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van het verzoek.
3.4.
Op de stellingen en verweren zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.
4.De beoordeling
De gefixeerde schadevergoeding
4.1.
Deze zaak gaat allereerst over de vergoeding van artikel 7:677 BWPro. Dit artikel regelt de rechten en plichten in het kader van het opzeggen van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden (ontslag op staande voet). Op grond van het tweede lid is de partij die door opzet of schuld aan de andere partij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen een vergoeding verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt. Volgens art. 7:677 lid 3 sub a BWPro is de gefixeerde schadevergoeding bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gelijk aan het loon “ over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren”.
4.2.
De kantonrechter overweegt dat bij beschikking van 20 oktober 2023 in de zaak met nummer 10550578 \ RP VERZ 23-50346 is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en dat [verwerende partij] geen aanspraak kan maken op de door haar verzochte vergoedingen. [verwerende partij] heeft in deze procedure verder niet (meer) bestreden dat Hoogvliet het recht heeft om in het kader van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet de gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:677 lid 2 BWPro te verzoeken. Het door Hoogvliet daartoe gevorderde bedrag heeft [verwerende partij] evenmin bestreden.
4.3.
Dit betekent dat met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn overeenkomstig artikel 7:672 lid 2 onderPro a. BW van één maand de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging tegen 31 mei 2023 was geëindigd, zodat aan Hoogvliet de gefixeerde schadevergoeding over de periode 11 april 2023 tot en met 31 mei 2023 toekomt. Het bedrag van de gefixeerde schadevergoeding bedraagt volgens Hoogvliet € 1.603,20 en tot betaling van dat bedrag zal [verwerende partij] dus worden veroordeeld. Over dit bedrag zal de wettelijke rente als onbetwist worden toegewezen vanaf 11 april 2023.
Diefstal geldbedrag
4.4.
Hoogvliet stelt dat [verwerende partij] tijdens het gesprek op 11 april 2023 heeft toegegeven in totaal een bedrag van € 800,00 te hebben weggenomen door te frauderen met de uitbetaling van prijzengeld en de retourname van producten. De kantonrechter overweegt dat bij beschikking van 20 oktober 2023 in de zaak met nummer 10550578 \ RP VERZ 23-50346 is geoordeeld dat met een redelijke mate van zekerheid vast is komen te staan dat [verwerende partij] de diefstal door de twee betalingen van prijzengeld voor de Lotto van € 100,00 en € 200,00 op 8 april 2023 en de op 10 april 2023 aangeslagen te hoge bedragen bij de retourname van een fles Bols corenwijn voor € 50,00 en een running sock voor € 50,00 heeft gepleegd. [verwerende partij] heeft niet betwist dat daarmee een bedrag van € 400,00 uit de geldlade is weggenomen, zodat dit deel van de vordering als onvoldoende weersproken zal worden toegewezen.
4.5.
Dat [verwerende partij] in totaal nog eens een bedrag van € 400,00 uit de geldlade heeft meegenomen, berust enkel op de – door Hoogvliet gestelde en door [verwerende partij] betwiste – schuldbekentenis van [verwerende partij] tijdens het gesprek op 11 april 2023. Kassa- en/of correctiebonnen die de diefstal van dit bedrag ondersteunen, ontbreken.
Het had, gelet op de betwisting door [verwerende partij] , op de weg van Hoogvliet gelegen om haar stelling nader te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten, zal dit deel van de vordering worden afgewezen.
4.6.
Slotsom ten aanzien van deze vordering is dan ook dat [verwerende partij] zal worden veroordeeld tot betaling aan Hoogvliet van een bedrag van € 400,00. De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente zal als onbetwist worden toegewezen vanaf 11 april 2023.
Proceskosten
4.7.
Nu [verwerende partij] overwegend in het ongelijk is gesteld, zal [verwerende partij] in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. In het feit dat de mondelinge behandeling gelijktijdig met de door [verwerende partij] geëntameerde procedure (bij deze rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer: 10550578 \ RP VERZ 23-50346) heeft plaatsgevonden, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te beperken tot het door Hoogvliet betaalde griffierecht van € 365,00.
4.8.
De nakosten worden begroot op € 132,00 (een half salarispunt van € 264). In geval van betekening wordt geen extra component aan salaris toegekend. De explootkosten van betekening maken wel onderdeel uit van de nakosten.
5.De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [verwerende partij] tot betaling van een bedrag van € 1.603,20 bruto als gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BWPro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 april 2023 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [verwerende partij] tot betaling van € 400,00 ter vergoeding van schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 april 2023 tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [verwerende partij] in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van Hoogvliet worden begroot op € 365,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving, en indien [verwerende partij] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend, vermeerderd met de kosten van betekening;
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D. Nobel, kantonrechter en op 24 oktober 2023 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.