ECLI:NL:RBDHA:2023:22015
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- C.I.H. Kerstens - Fockens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisverzoek op grond van ontbreken werkelijk huwelijksleven bij binnenkomst referent
Eiseres, met de Jemenitische nationaliteit, verzocht om nareis van haar echtgenoot (referent) die reeds in Nederland verbleef. Het huwelijk tussen eiseres en referent was gearrangeerd en vond plaats in september 2018. Referent kwam daarna naar Nederland, waarbij hij verklaarde verloofd te zijn. Eiseres en referent hadden telefonisch en via sociale media contact, en hielden in september 2021 hun huwelijksfeest. In juni 2022 kregen zij een zoon.
Verweerder wees de nareisaanvraag af omdat er bij binnenkomst van referent in Nederland geen werkelijk huwelijksleven bestond dat voor herstel in aanmerking kwam. Eiseres voerde aan dat verweerder het beleid onjuist toepaste, onvoldoende rekening hield met hun intenties en dat er sprake was van excessief formalisme en een ontbrekende belangenafweging.
De rechtbank oordeelde dat het gebruik van het moment van binnenkomst als peildatum gerechtvaardigd is op grond van artikel 9 lid 2 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 29 lid 2 van Pro de Vreemdelingenwet. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat er geen werkelijk huwelijksleven bestond bij binnenkomst, mede gelet op de beperkte ontmoetingen en het contact op afstand. De latere geboorte van een kind en het huwelijksfeest konden het eerdere oordeel niet wijzigen.
De rechtbank verwierp het betoog over excessief formalisme en stelde dat een toetsing op grond van artikel 8 EVRM Pro een andere procedure vereist. Ook was een belangenafweging niet vereist binnen het beoordelingskader. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een werkelijk huwelijksleven bij binnenkomst van de referent.