ECLI:NL:RBDHA:2023:21773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2023
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
NL23.38893 en NL23.39464
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 62 VwArt. 66a VwArt. 5.1b VbArt. 8 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen terugkeerbesluit en maatregel bewaring met afwijzing schadevergoeding

De zaak betreft het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit met een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het terugkeerbesluit is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, met zware en lichte gronden genoemd in het Vreemdelingenbesluit.

Eiser betoogt dat het inreisverbod onterecht is omdat hij zelf wil terugkeren naar Albanië en voldoende middelen heeft voor een buskaartje. Ook stelt hij dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn familieleven, aangezien hij een oom in Duitsland heeft met verblijfsstatus. De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat eiser wil terugkeren en 100 euro bezit onvoldoende is om het inreisverbod te weerleggen. De band met zijn oom is niet onderbouwd en het inreisverbod is niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro.

De maatregel van bewaring is inmiddels opgeheven. De rechtbank beoordeelt of de bewaring onrechtmatig was en daarmee aanleiding geeft tot schadevergoeding. Gelet op de ambtshalve toetsing en het arrest van het Hof van Justitie van de EU ziet de rechtbank geen onrechtmatigheid in de bewaring.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.38893 en NL23.39464

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2023 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 19 december 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 20 december 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over bestreden besluit 1
1. In het terugkeerbesluit heeft verweerder hierover vermeld dat een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser, zoals hij ook ter zitting heeft bevestigd, geen gronden heeft ingediend tegen het terugkeerbesluit.
3. Eiser voert wel aan dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd, omdat hij tijdens het gehoor heeft aangegeven dat hij graag zelf een ticket wil regelen en wil terugkeren naar Albanië. Eiser was in het bezit van 100 euro wat voldoende is voor een bus ticket naar Albanië. Eiser voert verder aan dat verweerder bij het opleggen van het inreisverbod ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het familieleven van eiser. Tijdens het gehoor heeft eiser verklaard dat hij een oom heeft die in Duitsland woont en daar een verblijfsstatus heeft.
3.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de niet bestreden gronden die ten grondslag zijn gelegd aan het terugkeerbesluit volgt een risico op onttrekking. Op grond van artikel 62, tweede lid en onder a, van de Vw kan verweerder bij een risico op onttrekking een terugkeerbesluit opleggen zonder een vertrektermijn en hierbij een inreisverbod van twee jaar opleggen. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw moest verweerder tegen eiser een inreisverbod uitvaardigen. Ingevolge artikel 66a, achtste lid, van de Vw kon verweerder, in afwijking van het eerste lid, om humanitaire of andere redenen echter afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Bijzondere omstandigheden in het kader van het EVRM kunnen daarbij van belang zijn.
3.2.
Het enkele feit dat eiser heeft verklaard zelfstandig terug te willen en kunnen keren naar Albanië, omdat hij stelt 100 euro in zijn bezit te hebben, maakt dit niet anders. Hij heeft zijn vertrekwens niet concreet gemaakt door bijvoorbeeld daadwerkelijk een ticket te boeken. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de oom van eiser hem ook op kan zoeken in Albanië. De band tussen eiser en zijn oom is verder ook niet onderbouwd en het feit dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij zijn oom recentelijk pas voor het eerst te hebben gezien en bezocht wijst ook niet op een nauwe band. Het inreisverbod is gelet op het voorgaande niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de genoemde omstandigheden geen reden heeft hoeven zien om van het inreisverbod af te zien.
Over bestreden besluit 2
4. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
5. Eiser voert geen beroepsgronden aan en refereert zich ten aanzien van de maatregel van bewaring aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank overweegt dat zij met inachtneming van de ambtshalve toetsing uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 geen grond ziet voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring van het moment van oplegging tot het moment van opheffing tot enig moment onrechtmatig is geweest.
Over de beroepen
6. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Yildiz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.