Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:20545

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 december 2023
Publicatiedatum
22 december 2023
Zaaknummer
C/09/647469
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BWArt. 1:397 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering en terugwerkende kracht kinderalimentatie wegens onvoldoende draagkracht vader

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie. De vader verzocht om vermindering van de alimentatie naar €50 per maand voor alle drie de kinderen, met terugwerkende kracht vanaf de voorlopige voorziening van 17 december 2021 of de echtscheidingsbeschikking van 5 augustus 2022.

De moeder stemde in met de vermindering, maar alleen met ingang van 28 april 2023. De rechtbank oordeelde dat de vader nooit draagkracht had om de hogere alimentatie te betalen en dat de bijdrage daarom niet aan de wettelijke maatstaven voldeed. Daarom werd de alimentatie verminderd naar €50 per maand voor alle drie de kinderen samen, met terugwerkende kracht vanaf 17 december 2021.

De rechtbank legde ook een jaarlijkse wettelijke indexering vast en bepaalde dat de alimentatie vooruitbetaald moet worden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door rechter K.M. Braun op 14 december 2023.

Uitkomst: De rechtbank vermindert de kinderalimentatie naar €50 per maand voor drie kinderen met terugwerkende kracht vanaf 17 december 2021 wegens onvoldoende draagkracht van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familierecht
Zaaknummer: C/09/647469 / FA RK 23-3408
Kinderalimentatie
Beschikking van 14 december 2023
in de zaak van:
[Y],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Roosendaal,
e n
[X],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. N. van Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vader met producties 2 en 3, binnengekomen op 1 mei 2023;
het bericht namens de vader van 9 juni 2023 met (ongenummerde) bijlagen, en;
het verweerschrift van de moeder.
1.2.
De vader en de moeder hebben de rechtbank laten weten dat zij instemmen met een schriftelijke afdoening van de zaak zonder mondelinge behandeling.

2.Waar gaat het over?

Wat staat vast?
2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] (Egypte);
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2] (Egypte), en;
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2021 in [geboorteplaats 3] .
2.2.
De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder.
2.3.
Op 17 december 2021 heeft de rechtbank in het kader van een voorlopige voorziening (onder andere) beslist dat de vader met ingang van 30 november 2021 een voorlopige kinderalimentatie van € 50,- per kind per maand moet betalen.
2.4.
Bij de echtscheidingsbeschikking van 5 augustus 2022 is over de kinderalimentatie een gelijkluidende beslissing genomen. De rechtbank heeft toen beslist dat de vader met ingang van 5 augustus 2022 een bedrag van € 50,- per kind per maand, dus € 150,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Wat ligt voor?
2.5.
De vader wil dat dit bedrag wordt gewijzigd in € 50,- per maand voor alle drie de kinderen, met ingang van 17 december 2021 dan wel 5 augustus 2022 dan wel 28 april 2023. Volgens hem heeft de vastgestelde onderhoudsbijdrage van aanvang af niet voldaan aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank heeft er namelijk geen rekening mee gehouden dat zijn inkomen op bijstandsniveau is.
2.6.
De moeder stemt in met een wijziging van de kinderalimentatie naar € 50,- per maand. Zij is het niet eens met een eerdere ingangsdatum dan 28 april 2023. Het lag op de weg van de vader om eerder een verzoekschrift in te dienen, als hij niet in staat was om de onderhoudsbijdrage te voldoen.

3.De beoordeling

gedeeltelijke overeenstemming
3.1.
Omdat het geschil tussen de ouders zich beperkt tot de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie, zal de rechtbank zich alleen daarover uitlaten.
ingangsdatum
3.2.
De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. [1] De rechter kan een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan, omdat dit grote gevolgen voor partijen kan hebben.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat het verzoek van de vader zowel ziet op de periode dat de voorlopige voorziening gold als op de periode daarna, vanaf het moment dat de echtscheiding was ingeschreven. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het standpunt van de moeder, dat de vader eerder om wijziging van de kinderalimentatie had kunnen verzoeken, zal zij de moeder hierin niet volgen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij die beslissing zo neemt.
3.4.
Bij de bepaling van het volgens de wet – in dit geval door de vader – verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt enerzijds rekening gehouden met de behoefte van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. [2] Gesteld noch gebleken is dat de vader vanaf de ingangsdatum van de voorlopige voorziening meer dan een minimale draagkracht heeft gehad of heeft. Omdat de vader nooit de draagkracht heeft gehad om de aan hem opgelegde kinderalimentatie aan de moeder te betalen, heeft die bijdrage nooit aan de wettelijke maatstaven voldaan. Daarom zal de rechtbank de kinderalimentatie als door de vader primair verzocht met ingang van 17 december 2021 wijzigen in € 50,- per maand voor alle drie de kinderen samen.
3.5.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de vader gehouden is de moeder tijdig te informeren over een wijziging in zijn inkomenssituatie. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen dan samen nieuwe afspraken zullen maken.
indexering
3.6.
Omdat voormelde bijdrage met terugwerkende kracht ingaat verhoogt de rechtbank de bijdrage ieder jaar met de onderstaande wettelijke indexering:
Wettelijke indexering
Bijdrage
Per 1 januari 2022
1.9%
€ 50,95
Per 1 januari 2023
3.4%
€ 52,68
Per 1 januari 2024
6.2%
€ 55,95
alimentatie vooruitbetalen
3.7.
De vader moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
uitvoerbaar bij voorraad
3.8.
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.
proceskosten
3.9.
De vader en de moeder moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 17 december 2021 en 5 augustus 2022, en bepaalt dat deze kinderalimentatie voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
vanaf 17 december 2021 € 50,- per maand;
vanaf 1 januari 2022 € 50,95 per maand;
vanaf 1 januari 2023 € 52,68 per maand, en;
vanaf 1 januari 2024 € 55,95 per maand bedraagt;
4.2.
bepaalt dat de vader deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
bepaalt dat de vader en de moeder allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, en;
4.5.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. K.M. Braun, tot stand gekomen in samenwerking met mr. T. Öztoprak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2023 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek
2.Vgl. artikel 1:397 lid 1 BW Pro.