ECLI:NL:RBDHA:2023:19825
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verbod uitlevering aan Verenigde Staten ondanks lopende rechtsmiddelen
De zaak betreft een kort geding van een gedetineerde die uitlevering aan de Verenigde Staten wil voorkomen zolang zijn cassatieberoep en een verzoek om een interim measure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) nog niet zijn beslist.
De uitlevering is door verschillende instanties, waaronder de Internationale Rechtshulpkamer en de Minister van Justitie en Veiligheid, toegestaan. Zowel de voorzieningenrechter als het gerechtshof hebben eerdere verzoeken van eiser afgewezen omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat uitlevering tot een schending van zijn mensenrechten zal leiden.
Eiser stelde dat uitlevering zijn recht op een effectief rechtsmiddel en een eerlijk proces zou schenden en dat hij risico loopt op inhumane behandeling in de VS. De rechtbank oordeelde dat deze argumenten al in eerdere procedures zijn beoordeeld en verworpen, en dat er geen nieuwe feiten zijn die een verbod op uitlevering rechtvaardigen.
De rechtbank benadrukte het belang van een voortvarende uitleveringsprocedure en dat de Staat niet verplicht is te wachten op de uitkomst van de lopende rechtsmiddelen. De vordering tot het opleggen van een verbod op uitlevering wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het gevorderde verbod op uitlevering aan de Verenigde Staten wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.