Eiser, een Oezbeekse nationaliteit, diende op 12 juni 2022 een asielaanvraag in met het argument dat hij in Oezbekistan vervolgd wordt en bedreigd vanwege handelsgeschillen en een lopende strafzaak met een mogelijke zware gevangenisstraf.
De staatssecretaris wees de asielaanvraag af als ongegrond en oordeelde dat eiser niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming viel, mede omdat eiser niet was ingeschreven bij een Nederlandse gemeente voor 19 juli 2022. Eiser voerde aan dat hij wel onder de Richtlijn valt en dat het terugkeerbesluit prematuur was genomen.
De rechtbank constateerde dat de staatssecretaris in het bestreden besluit geen definitief besluit nam over de tijdelijke bescherming, maar slechts een voornemen uitsprak. Hierdoor kon eiser geen zienswijze geven over dit voornemen. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit daarom prematuur was en vernietigde het gehele besluit.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van eiser. Het beroepschrift dat betrekking had op de Richtlijn wordt doorgezonden aan de staatssecretaris om als zienswijze te worden behandeld.