ECLI:NL:RBDHA:2023:19557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
AWB23/9712
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening tijdelijke bescherming

Verzoeker had een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris dat zijn recht op tijdelijke bescherming zou eindigen per 4 september 2023. Dit verzoek werd gedaan nadat verzoeker bezwaar had gemaakt tegen de vermeende beëindiging van zijn verblijfsrecht. De staatssecretaris stelde dat de beslissing van 29 augustus 2023 geen besluit in de zin van de Awb was, omdat deze niet op rechtsgevolg was gericht.

De voorzieningenrechter stelde partijen in de gelegenheid om een zitting aan te vragen, maar er werd niet gereageerd, waarna het onderzoek werd gesloten. Verzoeker trok vervolgens het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om proceskostenveroordeling tegen de staatssecretaris. De staatssecretaris reageerde niet op dit verzoek.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening, indien niet ingetrokken, zou zijn afgewezen omdat het bezwaar niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Er was immers geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb Pro, waardoor geen rechtsmiddelen openstonden. Om die reden wees de voorzieningenrechter ook het verzoek om proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/9712

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2023 in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. N.B. Swart)
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: Y. van Deel-ten Cate).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De staatssecretaris heeft hierop niet gereageerd.
1.2.
Bij brieven van 16 november 2023 zijn beide partijen verzocht om binnen twee weken aan te geven of zij een zitting wensen. Daarbij is aan partijen meegedeeld dat wanneer zij niet reageren, het onderzoek zal worden gesloten en uitspraak zal worden gedaan. Partijen hebben niet gereageerd. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek dan ook gesloten en doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Nu verzoeker zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingetrokken, kan de voorzieningenrechter daarover geen beslissing meer nemen. De voorzieningenrechter zal voorts het verzoek om vergoeding van de proceskosten afwijzen en overweegt daarover het volgende.
3. De staatssecretaris heeft bij beslissing van 29 augustus 2023 aangegeven dat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming [2] nieteindigt met ingang van 4 september 2023.
4. Verzoeker heeft op 30 augustus 2023 bezwaar gemaakt tegen de, door hem veronderstelde, beëindiging van zijn verblijfsrecht met ingang van 4 september 2023. Verzoeker stelt dit (collectieve) besluit uit berichten van de media te hebben vernomen. Verzoeker heeft op 30 augustus 2023 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn status niet per 4 september 2023 wijzigt en dat deze zal doorlopen totdat de staatssecretaris een besluit heeft genomen naar aanleiding van verzoekers zienswijze.
5. De staatssecretaris heeft zich in zijn brief van 2 november 2023 onder meer op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat de beslissing van 29 augustus 2023 niet op rechtsgevolg is gericht.
6. Op 15 november 2023 heeft verzoeker de voorzieningenrechter laten weten dat hij het verzoek om voorlopige voorziening intrekt. Verzoeker stelt voorts het besluit van
29 augustus 2023 pas op 1 september 2023 te hebben ontvangen. Volgens verzoeker was er op het moment dat hij het verzoek indiende sprake van een connexe bezwaarprocedure. Bovendien was er een spoedeisend belang, omdat de staatssecretaris tot het allerlaatste moment heeft gewacht met de beslissing dat verzoekers verblijfsrecht niet zou worden beëindigd, terwijl diverse keren is aangekondigd dat alle derdelanders per 4 september 2023 uitzetbaar zouden zijn.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er wel sprake is van connexiteit tussen de procedure aangaande het ingediende bezwaarschrift tegen de beslissing van 29 augustus 2023 en het aanvankelijk gedane verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat dit verzoek, wanneer het niet was ingetrokken, zou zijn afgewezen. Het bezwaar is namelijk gericht tegen een beslissing die geen besluit betreft als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Vanwege het niet beëindigen van eisers recht op tijdelijke bescherming is er immers geen juridische verandering opgetreden in zijn rechten en plichten. Dit maakt dat de beslissing van 29 augustus 2023 niet op rechtsgevolg is gericht, als gevolg daarvan geen besluit betreft als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb en daartegen geen rechtsmiddelen open staan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal het bezwaarschrift daarom niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Omdat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om die reden zou zijn afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot een veroordeling van de proceskosten. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden evenmin aanleiding om een proceskostenveroordeling toe te wijzen en wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om veroordeling in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
2.Richtlijn 2001/55/EG