ECLI:NL:RBDHA:2023:19324

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
NL23.34456
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b VwArt. 30c VwArt. 14 lid 3 ProcedurerichtlijnArt. 28 lid 1 onder a ProcedurerichtlijnArtikel 3 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag als kennelijk ongegrond wegens niet verschijnen op gehoor

Eiser, een Oezbeekse asielzoeker, diende op 1 februari 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees deze aanvraag bij besluit van 27 oktober 2023 af als kennelijk ongegrond omdat eiser niet was verschenen op een gepland nader gehoor op 23 oktober 2023.

Eiser voerde aan dat hij niet met onbekende bestemming was vertrokken en dat hij gehoorproblemen heeft, waardoor hij opnieuw had moeten worden uitgenodigd. De rechtbank stelde vast dat eiser tijdig was uitgenodigd en dat hij zonder geldige reden niet was verschenen. Het enkele feit van gehoorproblemen zonder nadere uitleg was onvoldoende om het niet verschijnen te rechtvaardigen.

Verder kon eiser niet onderbouwen waarom terugkeer naar Oezbekistan in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM Pro. Eiser gaf aan vanwege medische hulp en armoede te zijn vertrokken, maar er was geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade.

De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond wegens niet verschijnen op het nader gehoor.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34456

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 22 november 2023 te Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E.A. Tsjoepieva als waarnemer van zijn gemachtigde. Verschenen is ook de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboor] en heeft de Oezbeekse nationaliteit. Eiser heeft op 1 februari 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als
kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft geen asielmotieven naar voren gebracht door niet te verschijnen op het gehoor van 23 oktober 2023 om 08:45 uur. Verweerder volgt niet dat eiser de uitnodiging voor dit gehoor niet heeft ontvangen. Dat eiser afkomstig is uit Oezbekistan is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [1] of dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.
3. Eiser voert daartegen aan dat zijn aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Eiser is niet met onbekende bestemming vertrokken en heeft altijd contact gehouden met zijn gemachtigde. Eiser heeft gehoorproblemen waardoor hij beperkingen ervaart. Verweerder had eiser opnieuw dan ook opnieuw moeten uitnodigen voor een nader gehoor. Tot slot voert eiser aan dat hij bij terugkeer naar Oezbekistan vreest voor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [2]
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat verweerder bij zijn voornemen van 25 oktober 2023 aan eiser heeft meegedeeld dat hij voornemens is de asielaanvraag buiten behandeling te stellen. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder bij het bestreden besluit de aanvraag niet, zoals eiser veronderstelt, buiten behandeling heeft gesteld, maar deze kennelijk ongegrond heeft verklaard. Eiser heeft tegen deze handelwijze van verweerder als zodanig geen beroepsgronden gericht. De rechtbank laat deze bij de beoordeling van het beroep daarom onbesproken.
5. Partijen verschillen in de kern van mening over de vraag of verweerder de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen omdat eiser niet op het gehoor van 23 oktober 2023 is verschenen. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
6. Uit het dossier volgt dat eiser op 4 oktober 2023 per brief is uitgenodigd om te verschijnen voor een gesprek met de IND [3] (het nader gehoor) op 23 oktober 2023 om 08:45 uur. In deze brief staat dat indien eiser zonder geldige reden niet naar de afspraak komt, verweerder ervan uitgaat dat eiser zonder problemen terug kan naar zijn land van herkomst en dat alleen in uitzonderlijke situaties een nieuwe afspraak gemaakt zal worden. Van deze afspraak is de (toenmalige) gemachtigde van eiser eveneens per brief van 4 oktober 2023 op de hoogte gesteld. Bij een eerste voornemen van 11 oktober 2023 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser op 26 september 2023 met onbekende bestemming is vertrokken en dat de asielaanvraag van eiser daarom buiten behandeling kan worden gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Bij zienswijze van 12 oktober 2023 heeft eiser daartegen aangevoerd dat hij niet met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij de uitnodiging voor het gehoor van 23 oktober 2023 heeft ontvangen. Ter voorbereiding hierop is volgens de zienswijze een afspraak gepland tussen eiser en zijn gemachtigde. Uit het rapport niet verschijnen voor gehoor van 23 oktober 2023 blijkt vervolgens dat eiser desondanks niet is verschenen. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan opnieuw een voornemen uitgebracht om de aanvraag van eiser af te wijzen als kennelijk ongegrond. Verweerder merkt in dat voornemen verder op dat het voornemen van 11 oktober 2023 komt te vervallen. Eiser heeft daarop bij zienswijze van 25 oktober 2023 gereageerd.
7. Uit artikel 14, derde lid, en artikel 28, eerste lid, onder a, van de Procedurerichtlijn [4] volgt dat de lidstaten mogen aannemen dat de vreemdeling impliciet van het verzoek om internationale bescherming heeft afgezien wanneer is vastgesteld dat de vreemdeling niet is verschenen voor een persoonlijk onderhoud, tenzij hij binnen een redelijke tijd aantoont dat zulks te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed heeft. Het feit er geen persoonlijk onderhoud met de vreemdeling heeft plaatsgevonden belet de beslisautoriteit niet het verzoek om internationale bescherming, als zij dat als ongegrond beschouwt, af te wijzen.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser in de zienswijze van 12 oktober 2023 heeft bevestigd dat hij op de hoogte was van de afspraak voor het nader gehoor op 23 oktober 2023. Verder is niet in geschil dat eiser vervolgens niet op die afspraak is verschenen. Eiser heeft niet toegelicht waarom hij niet is verschenen. Het enkele feit dat eiser beperkingen ervaart als gevolg van zijn gehoorproblemen is daarvoor, zonder nadere uitleg, onvoldoende. Eiser is bovendien evenmin verschenen op de afspraak met Medifirst op 22 september 2023. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door hem niet opnieuw uit te nodigen voor een nader gehoor.
9. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser in beroep niet heeft toegelicht waarom hij niet naar Oezbekistan terug kan keren. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat eiser afkomstig is uit Oezbekistan, onvoldoende is om aan te nemen dat eiser gegronde vrees heeft voor vervolging of dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook de gehoren met eiser bevatten geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Zo heeft eiser tijdens het verhoor door de AVIM [5] van 1 februari 2023 verklaard dat hij naar Nederland is gekomen omdat hij medische hulp nodig heeft en dat hij heeft gehoord dat er in Nederland goede artsen zijn. In het aanmeldgehoor van 1 mei 2023 heeft eiser verder verklaard dat hij Oezbekistan heeft verlaten vanwege armoede, crisis en schulden. Eisers beroepsgrond dat terugkeer naar Oezbekistan in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM is niet onderbouwd.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
3.Immigratie- en Naturalisatiedienst
4.Richtlijn 2013/32/EU.
5.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.