ECLI:NL:RBDHA:2023:19190
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Financiële compensatie wegens informele waarneming ambtelijke taken vastgesteld per 1 januari 2019
Eiser verzocht om financiële compensatie voor informele waarneming van taken behorende bij een hogere rang binnen Defensie. Het primaire besluit van 20 januari 2022 wees dit verzoek af. Na bezwaar werd gedeeltelijk compensatie toegekend vanaf 27 augustus 2021, maar het verzoek om terugwerkende kracht werd afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het niet aannemelijk was dat de compensatie pas vanaf mei 2020 moest ingaan en gaf Defensie de gelegenheid het besluit te herstellen. Het aanvullende besluit van 9 augustus 2023 stelde de compensatie in vanaf 26 mei 2020, maar de rechtbank vond dit onvoldoende omdat er aanwijzingen waren dat de informele waarneming al eerder plaatsvond.
De rechtbank vernietigde beide besluiten wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht en stelde zelf de ingangsdatum van de financiële compensatie vast op 1 januari 2019. Dit was gebaseerd op verklaringen en het feit dat gesprekken over de waarneming al in dat jaar plaatsvonden. Tevens werd Defensie veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van financiële compensatie wegens informele waarneming vast op 1 januari 2019 en vernietigt de eerdere besluiten.