ECLI:NL:RBDHA:2023:19189
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Financiële compensatie wegens informele waarneming vastgesteld vanaf 1 januari 2019
Eiseres verzocht om financiële compensatie voor informele waarneming van taken behorende bij een hogere rang. Verweerder wees dit verzoek in eerste instantie af, maar verklaarde bezwaar deels gegrond met ingang van 26 mei 2020. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat verweerder het gebrek moest herstellen door de juiste ingangsdatum vast te stellen, omdat er aanwijzingen waren dat informele waarneming al eerder plaatsvond.
Verweerder stelde vervolgens de compensatie in met ingang van 26 mei 2020, maar dit werd door eiseres betwist. De rechtbank concludeerde dat verweerder het gebrek niet juist had hersteld, omdat de informele waarneming aannemelijk al sinds 2019 bestond. Daarom vernietigde de rechtbank de besluiten en stelde zij zelf de ingangsdatum vast op 1 januari 2019.
De rechtbank legde aan deze datum ten grondslag dat gesprekken over de informele waarneming reeds in 2019 plaatsvonden en verweerder dit niet betwistte. Eiseres kreeg naast de compensatie ook vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten toegekend. De uitspraak vervangt de eerdere besluiten en is een einduitspraak in deze zaak.
Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van financiële compensatie wegens informele waarneming vast op 1 januari 2019 en vernietigt de eerdere besluiten.