Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De geldigheid van de dagvaarding
een ander/anderen.” De dagvaarding is in zoverre zodanig onbepaald, onvoldoende feitelijk en/of onvoldoende begrijpelijk, dat daartegen redelijkerwijs geen verweer kan worden gevoerd.
en/of een ander/anderen’ en
‘(van) die ander/anderen’onvoldoende bepaald is nu – ook bezien tegen de achtergrond van het dossier – onvoldoende duidelijk is om welke andere personen het hier zou gaan. Er kan daarom niet van de verdachte worden verwacht dat zij in staat is om zich ten aanzien van de betreffende zinssneden op adequate wijze te kunnen verdedigen. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie heeft aangegeven dat de tenlastelegging met name op het [slachtoffer] ziet. Dit brengt met zich dat de dagvaarding ten aanzien van de zinssneden ‘
en/of een ander/anderen’ niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
4.De ontvankelijkheid van de officier van justitie
5.De bewijsbeslissing
6.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
7.De strafbaarheid van de verdachte
8.De op te leggen straffen
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
9.De inbeslaggenomen voorwerpen
10.De toepasselijke wetsartikelen
11.Bijlage
12.De beslissing
jeugddetentievoor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 (zestig) uren;
30 (dertig) dagen;