ECLI:NL:RBDHA:2023:19042
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking humanitaire verblijfsvergunning en weigering omzetting naar niet-tijdelijke vergunning
Eiser, die in november 2018 aangifte deed van mensenhandel, kreeg een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk. Na sepot van de officier van justitie in augustus 2021 trok de staatssecretaris de vergunning in en wees het verzoek tot omzetting naar humanitair niet-tijdelijk af. Eiser voerde aan dat artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit een ruimer kader biedt dan het beleid in paragraaf B9 van de Vreemdelingencirculaire en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro onzorgvuldig was.
De rechtbank oordeelde dat artikel 3.6b geen ruimer kader biedt dan het beleid in paragraaf B9 en dat eiser niet voldoet aan de beleidsregels voor een niet-tijdelijke humanitaire vergunning. De belangenafweging was zorgvuldig en onevenredigheid werd niet vastgesteld. Ook het beroep op artikel 4:84 Awb Pro om af te wijken van het beleid werd verworpen, mede omdat toekomstige wetswijzigingen niet relevant zijn.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit na uitspraak in het beroep. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de humanitaire verblijfsvergunning en de afwijzing van de omzetting wordt ongegrond verklaard.